Vanaf het vierde levensjaar maken kinderen de overstap naar de basisschool. Hier begint de vroegschoolse educatie. Met de Wet OKE is onder andere de Wet op het Primair Onderwijs (WPO) gewijzigd. Hierin is in ieder geval opgenomen dat gemeenten en schoolbesturen resultaatafspraken moeten maken met betrekking tot de vroegschoolse educatie. De opbrengsten van vroegschoolse educatie zijn beter meetbaar dan de resultaten van de voorschoolse voorzieningen omdat het vaardigheidsniveau betrouwbaarder kan worden gemeten. Scholen zijn vrij om de vroegschoolse educatie in een bepaalde vorm aan te bieden, maar moeten het onderwijs wel zodanig inrichten dat er op structurele en herkenbare wijze aandacht wordt besteed aan het bestrijden van achterstanden (WPO, artikel 8). De gemeente is verantwoordelijk voor het bepalen van de doelgroep van voorschoolse educatie. Schoolbesturen zijn verantwoordelijk voor het definiëren van de doelgroep voor vroegschoolse educatie. In het basisonderwijs wordt bij de definitie van de doelgroep doorgaans uitgegaan van de eerder genoemde gewichtenregeling, op basis van het opleidingsniveau van de ouders. De middelen voor de vroegschool (4-6 jaar) ontvangen de scholen via de lumpsum, dit is één budget voor het geven van goed onderwijs welke aan schoolbesturen wordt uitgekeerd. Met dit bedrag kunnen scholen kiezen voor welke middelen ze het geld inzetten. Deze lumpsum wordt uitgekeerd op basis van de gewichtenregeling, welke voor de scholen per 1 augustus 2019 aangepast wordt. In de kamerbrief ‘Investeren in onderwijskansen’ dd. 31 januari 2018 wordt aangegeven dat het Kabinet €15 miljoen extra inzet voor het bestrijden van achterstanden in het primair en voortgezet onderwijs.
Hoofdstuk 3.
Artikel 3.1.2
Doelgroep definitie vroegschoolse educatie
Onderdeel van Notitie onderwijsachterstandenbeleid 2018-2021 Gemeente Krimpenerwaard