Naar hoofdinhoud
Onverminderd het gestelde in artikel 4:92, tweede lid, Awb, waarin is bepaald dat de schuldenaar bij de betaling de geldschuld kan aanwijzen waaraan de betaling moet worden toegerekend, wordt de betaling van de schuldenaar allereerst toegerekend aan een opgelegde (recidive)boete. Na voldoening van een opgelegde (recidive)boete, of indien een dergelijke vordering ontbreekt, wordt de betaling van de schuldenaar vervolgens eerst toegerekend aan een opgelegde fraudevordering wegens ten onrechte of teveel betaalde uitkering. In afwijking van het eerste lid en tweede lid wordt de betaling van de schuldenaar allereerst toegerekend aan een opgelegde niet-fraudevordering indien daarmee gehele of gedeeltelijke brutering wordt voorkomen. Bij samenloop van een terugvordering en een verhaalsvordering wordt individueel bepaald aan welke vordering de betaling wordt toegerekend.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel