De mogelijk nadelige gevolgen van de veehouderij op de volksgezondheid staan de laatste jaren volop in de belangstelling. Met name in veedichte gebieden zoals we die in de provincie Noord-Brabant kennen, bestaat onder de bevolking steeds meer onrust. Hierbij komen zaken naar voren als angst voor ziekten die overdraagbaar zijn van dier op mens, luchtwegaandoeningen, maar ook stress in verband met verminderde leefkwaliteit door regelmatige geurhinder. De ongerustheid komt vooral naar voren bij de ontwikkeling van grote veehouderijen in de directe omgeving van burgers.
Over de risico’s van de aanwezigheid van veehouderijen op de volksgezondheid is in de afgelopen jaren op landelijk niveau onderzoek uitgevoerd, wat onder andere geresulteerd heeft in het rapport ‘Mogelijke effecten van intensieve veehouderij op de gezondheid van omwonenden’ d.d. 7 juni 2011 van IRAS, NIVEL en RIVM (verder: het IRAS onderzoek). Als vervolg op dit onderzoek heeft in opdracht van de ministeries van Volksgezondheid Welzijn en Sport (VWS), Infrastructuur en Milieu en Economische Zaken (EZ) een uitgebreid onderzoek ‘Veehouderij en gezondheid omwonenden’ (VGO)[1] plaatsgevonden in het oosten van Noord-Brabant en het noorden van Limburg. Onderzocht is of het wonen in de nabijheid van veehouderijen effect kan hebben op de gezondheid. In het onderzoek is gekeken naar de blootstellingseffecten en de gezondheidsrisico’s. Hiervoor zijn (geanonimiseerd) gegevens van huisartsen over ongeveer 110.000 patiënten voor de hele regio bekeken, is een vragenlijst ingevuld door ongeveer 12.000 mensen en hebben bijna 2.500 mensen meegedaan aan een medisch onderzoek (bloed, ontlasting, longfunctietesten). Daarnaast is de luchtkwaliteit in het onderzoeksgebied onderzocht. Op 60 locaties werd op meerdere momenten in het jaar endotoxinen, fijnstof en de aanwezigheid van micro-organismen in lucht gemeten. De resultaten zijn in juli 2016 gepresenteerd. De data zijn vervolgens in verdere analyses uitgewerkt, en gepresenteerd in een tweede rapport in juli 2017[2]. Uit het eerste VGO rapport wordt duidelijk dat er sprake is van positieve en negatieve gezondheidseffecten ten gevolge van het wonen in de nabijheid van veehouderijen. In het tweede rapport worden de bevindingen in het eerste rapport bevestigd en worden er aanvullende bevindingen met betrekking tot pluimvee- en geitenhouderijen benoemd.
De belangrijkste bevindingen zijn:
mensen die in de buurt van veehouderijen wonen blijken minder astma en (neus-)allergieën te hebben dan mensen wonend in gebieden met weinig veehouderij.
een verhoging van het risico op longontsteking (pneumonie) rondom geiten- en pluimveehouderijen. Voor pluimveehouderijen betekent dit een risicoverhoging van ongeveer 11% voor omwonenden waarvan er één bedrijf binnen een straal van 1000 meter van de woning ligt. Voor elke extra pluimveehouderij binnen 1 kilometer van de woning neemt het berekende risico verder toe. Voor geitenhouderijen komt er een risicoverhoging van ongeveer 29% uit voor omwonenden binnen een straal van 2000 meter rondom één bedrijf.
Het populatie attributief risico (PAR) beschrijft hoeveel minder longontsteking er in een gebied zou zijn geweest als er in het betreffende gebied geen pluimvee cq geitenhouderij zou zijn geweest. Dit risico is per gebied verschillend. Bij pluimvee is het PAR in het VGO-onderzoeksgebied jaarlijks gemiddeld 7,2% en gemiddeld 5,2% bij geitenhouderijen.
het verhoogd voorkomen van luchtwegklachten en een verminderde longfunctie in relatie tot de dichtheid van veehouderijen rond de woning (15 of meer veehouderijen binnen één kilometer afstand van hun woning, ongeacht het type bedrijf).
een verhoogde concentratie ammoniak in de lucht, afkomstig van mest, laat een verband zien met een afname in de longfunctie bij alle deelnemers van de studie (iedereen “at risk”). Waarschijnlijk is niet ammoniak zelf hiervoor verantwoordelijk. Verhoogde concentraties ammoniak leiden ook tot verhoogde concentraties secundair fijnstof. Het is niet uit te sluiten dat secundair fijnstof de longfunctiedalingen veroorzaakt. Omdat ammoniak en secundair fijnstof zich over grote afstanden verplaatsen, is dit verband niet specifiek voor het VGO-gebied. Zo kan het zijn dat het ammoniak en secundair fijnstof uit andere gebieden komt aanwaaien. En andersom kan de verspreiding vanuit het VGO-gebied tot effecten daarbuiten leiden.
COPD, een chronische aandoening van de longen, komt op zichzelf ongeveer even vaak voor in het VGO onderzoeksgebied als vergelijkbare landelijke gebieden in Nederland met weinig veehouderij. Echter, dichtbij veehouderijbedrijven wonen minder COPD patiënten. COPD-patiënten wonend tot een afstand van 500 meter van veehouderijen hebben een grotere kans op ernstige klachten en gebruiken meer medicatie.
Gelijktijdig met het eerste VGO onderzoek zijn ook de resultaten van het onderzoek naar emissies van endotoxinen uit veehouderijen vrijgekomen[3]. De metingen en berekeningen laten zien dat overschrijding van de door de Gezondheidsraad gegeven advieswaarde van 30 EU/m3 mogelijk is. Bij een individueel varkensbedrijf is dat tot op een afstand van ca. 200 meter mogelijk en bij pluimvee tot ca. 500 meter. Door het ondersteuningsteam[4] is vooruitlopend op wettelijke kaders de notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid, Endotoxine toetsingskader 1.0 opgesteld. Dit toetsingskader beoogt om vanuit het voorzorgsbeginsel het risico op verslechtering van de endotoxine blootstelling boven de advieswaarde van 30 EU/m3 te voorkomen. De resultaten uit het VGO en ander onderzoek versterken deze keuze. In het VGO onderzoek wordt bijvoorbeeld aangegeven dat bij het verhoogd risico op longontsteking rond pluimveebedrijven er sterke aanwijzingen zijn dat de emissies van fijnstof en endotoxine een rol spelen[5], hoewel longontsteking als gevolg van zoönotische agentia niet kan worden uitgesloten. Voor geitenhouderijen geldt dat er nog geen inzicht is in de bron van het verhoogd risico op longontsteking. Zie verder het toetsingskader.
Tot stand komen van handreiking veehouderij en volksgezondheid
Het ontbreken van een duidelijk beoordelingskader is voor team Gezondheid, Milieu & Veiligheid GGD’en Brabant (verder: GGD) aanleiding geweest om samen met de gemeenten Oirschot, Reusel-De Mierden en Gemert-Bakel het ‘Aanvullend Toetsingsinstrument; Een risico-inventarisatie en -evaluatie voor gezondheid bij veehouderij, september 2013’ (verder: Aanvullend Toetsingsinstrument) te ontwikkelen. Middels het Aanvullend Toetsingsinstrument wordt, rekening houdende met het nog niet volledig inzichtelijk zijn van de precieze relaties, gezocht naar een zorgvuldige beoordeling van de risico’s voor de volksgezondheid bij de ontwikkeling van veehouderijen. Daarnaast helpt het toetsingsinstrument om de bewustwording bij ondernemers met betrekking tot mogelijke maatregelen om emissies naar de omgeving te beperken, te vergroten.
Begin 2014 is vanuit de MOLO-werkgroep veehouderij en milieu[6] een aparte subwerkgroep geformeerd onder andere omdat er vragen van gemeenten waren over de toepassing van het Aanvullend Toetsingsinstrument. De werkgroep had tot opdracht te komen tot een zorgvuldige, maar ook praktische werkwijze, om volksgezondheid een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming in het kader van de Wabo en Wro.
Als eerste is door juristen van de provincie en de drie Brabantse omgevingsdiensten onderzocht wat de juridische mogelijkheden zijn: is er voldoende, algemeen aanvaarde, wetenschappelijke onderbouwing, welke middelen zijn er en hoe staat het met de jurisprudentie? De resultaten zijn afgestemd met de GGD en zijn vastgelegd in de MOLO notitie ‘Veehouderij en volksgezondheid; Mogelijkheden om volksgezondheidaspecten mee te wegen bij vergunningverlening’ van juni 2014. Op basis van de juridische notitie kan worden geconstateerd dat het aspect volksgezondheid nadrukkelijk meegewogen dient te worden in zowel het ruimtelijk als het milieuspoor, waarbij het ruimtelijk spoor de meeste mogelijkheden lijkt te bieden.
Uit jurisprudentie van de laatste jaren blijkt dat risico’s voor de volksgezondheid bij de beoordeling van een vergunningaanvraag omgevingsvergunning- milieu nadrukkelijk betrokken moet worden. De Raad van State hanteert hierbij de overweging , dat
“Indien door het in werking zijn van een inrichting risico’s voor de volksgezondheid kunnen ontstaan, moeten deze risico’s gelet op artikel 1.1., tweede lid, aanhef en onder a, van de Wet milieubeheer als gevolg voor het milieu bij de beoordeling van de aanvraag worden betrokken.” [7]
Het is dus algemeen aanvaard dat volksgezondheid een aspect is dat bij de omgevingsvergunning- milieu getoetst moet worden. Uit de verzamelde jurisprudentie blijkt ook dat het, voor de onderbouwing om volksgezondheid in de besluitvorming mee te nemen, belangrijk is dat hiervoor voldoende algemeen aanvaarde wetenschappelijke inzichten worden aangedragen, dan wel dat voor de specifieke situatie kan worden aangegeven dat er een verhoogd risico kan zijn.
Bij de vergunningverlening kan niet voorbij gegaan worden aan de uitkomsten van de beide VGO rapporten en de resultaten van het endotoxine onderzoek.
In maart 2016 is de eerste versie van de handreiking verschenen. De handreiking bestaat uit een algemene onderbouwing op grond waarvan volksgezondheid meegenomen dient te worden in de ruimtelijke besluitvorming en besluitvorming in het kader van milieu. Vervolgens is een wijze van beoordeling uitgewerkt (‘het stappenplan’) om tot een zorgvuldige, praktische en uniforme beoordeling te komen of er een dusdanig verhoogd risico voor de volksgezondheid bestaat dat advisering vanuit de GGD wenselijk is.
Op deze manier wordt gestreefd om in Brabant, totdat er meer duidelijkheid is over een toe te passen (wettelijk) beoordelingskader, dan wel dat zich andere ontwikkelingen voordoen, gezamenlijk tot een breed gedragen werkwijze te komen die recht doet aan het belang van de volksgezondheid voor de burgers in de provincie. Inmiddels zijn de praktijkervaringen opgedaan met de handreiking en zijn nieuwe onderzoeksresultaten bekend geworden. Reden om de handreiking van maart 2016 te actualiseren.
In de voorliggende Handreiking Veehouderij en Volksgezondheid heeft het ondersteuningsteam het stappenplan aan de hand waarvan beoordeeld kan worden of nadere advisering door de GGD wenselijk is, geactualiseerd. In het stappenplan is een verwijzing naar de notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid (endotoxine toetsingskader) opgenomen. Wanneer vergunningverleners of bestuurders besluiten het stappenplan te volgen, zal daar vanuit het ondersteuningsteam een advies naar voren komen over het al dan niet opvragen van een GGD-advies. Het is vervolgens aan bestuurders om een besluit te nemen over het gegeven advies van het ondersteuningsteam.
[1] Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM), Maassen K., et al. (2016, juli) - Veehouderij en Gezondheid Omwonenden
[2] Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM), Maassen K., et al. (2017, juni) - Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (aanvullende studies)
[3] Ogink, N., Erbrink, J. J., Heederik, D. J. J., Winkel, A., & Wouters, I. M. (2016). Emissies van endotoxinen uit de veehouderij: emissiemetingen en verspreidingsmodellering (No. 959). Wageningen UR, Livestock Research.
[4] Ondersteuningsteam: Het Ondersteuningsteam is onderdeel van het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht (BPO) speerpunt Veehouderij en bestaat uit mensen van de provincie, GGD , omgevingsdiensten en enkele gemeenten.
[5] Smit, L. A., Boender, G. J., de Steenhuijsen Piters, W. A., Hagenaars, T. J., Huijskens, E. G., Rossen, J. W., ... & Bogaert, D. (2017). Increased risk of pneumonia in residents living near poultry farms: does the upper respiratory tract microbiota play a role?. Pneumonia, 9(1), 3.
[6] De ambtelijk MOLO-werkgroep veehouderij en milieu (Milieuoverleg Lokale Overheden) betrof een regelmatige informatie-uitwisseling en afstemming tussen vertegenwoordigers vanuit de provincie Noord-Brabant, de Brabantse gemeenten, de drie Brabantse omgevingsdiensten en de GGD op het gebied van veehouderij en milieu. Het MOLO is per 1 januari 2015 opgeheven en overgegaan in het BPO-speerpunt Veehouderij. Het speerpunt heeft een ongeveer vergelijkbare samenstelling als het MOLO en richt zich behalve op milieu ook meer op ruimtelijke aangelegenheden.
[7] Zie o.a. uitspraken Raad van State nr. 201202452 dd. 3 juli 2013, 201207838 dd. 18 december 2013 en nr. 201306433 dd. 12 maart 2014
Artikel 1
Inleiding en perspectief
Onderdeel van Gemeente Bergeijk - Beleid Handreiking Veehouderij en Volksgezondheid 2.0