Naar hoofdinhoud

Artikel 5

Draagkracht en vermogen bij boete bepaling

Onderdeel van Beleidsregels bestuurlijke boete Participatiewet, IOAW en IOAZ Goeree-Overflakkee

1.. Bij het opleggen van een boete wordt rekening gehouden met de draagkracht: voor personen die een uitkering op grond van de Participatiewet, IOAW of IOAZ ontvangen, wordt de draagkracht vastgesteld op 10% van de ten tijde van het opleggen van de boete op de belanghebbende van toepassing zijnde bijstandsnorm; voor personen die een ander inkomen hebben dan een uitkering op grond van de Participatiewet, IOAW of IOAZ, wordt de draagkracht vastgesteld op het inkomen boven 90% van de ten tijde van het opleggen van de boete op de belanghebbende van toepassing zijnde bijstandsnorm; voor personen die geen inkomen hebben of 10% van het inkomen is minder dan € 45,- per maand, wordt de draagkracht vastgesteld op minimaal € 45,- per maand. 2.. Bij bepaling van de hoogte van de boete gelden maximale termijnen, die mede bepaald worden door de mate van verwijtbaarheid: bij opzet bedraagt de maximale boete 24 maal de draagkracht; bij grove schuld bedraagt de maximale boete 18 maal de draagkracht; bij normale verwijtbaarheid bedraagt de maximale boete 12 maal de draagkracht; bij verminderde verwijtbaarheid bedraagt de maximale boete 6 maal de draagkracht; bij recidive zoals omschreven in artikel 2, zesde lid, Boetebesluit socialezekerheidswetten wordt de draagkracht berekend overeenkomstig artikel 1, onder a tot en met c, bedraagt de maximale boete een bedrag van 150% van de uitkomsten van de op grond van artikel 1, onder a, tot en met artikel 2, onder d, gemaakte berekeningen en de uitkomsten. 3.. Met aanwezig vermogen wordt bij de berekening van de boete geen rekening gehouden.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel