**1..** Bij het opleggen van een boete wordt rekening gehouden met de draagkracht:
voor personen die een uitkering op grond van de Participatiewet, IOAW of IOAZ ontvangen, wordt de draagkracht vastgesteld op 10% van de ten tijde van het opleggen van de boete op de belanghebbende van toepassing zijnde bijstandsnorm;
voor personen die een ander inkomen hebben dan een uitkering op grond van de Participatiewet, IOAW of IOAZ, wordt de draagkracht vastgesteld op het inkomen boven 90% van de ten tijde van het opleggen van de boete op de belanghebbende van toepassing zijnde bijstandsnorm;
voor personen die geen inkomen hebben of 10% van het inkomen is minder dan € 45,- per maand, wordt de draagkracht vastgesteld op minimaal € 45,- per maand.
**2..** Bij bepaling van de hoogte van de boete gelden maximale termijnen, die mede bepaald worden door de mate van verwijtbaarheid:
bij opzet bedraagt de maximale boete 24 maal de draagkracht;
bij grove schuld bedraagt de maximale boete 18 maal de draagkracht;
bij normale verwijtbaarheid bedraagt de maximale boete 12 maal de draagkracht;
bij verminderde verwijtbaarheid bedraagt de maximale boete 6 maal de draagkracht;
bij recidive zoals omschreven in artikel 2, zesde lid, Boetebesluit socialezekerheidswetten wordt de draagkracht berekend overeenkomstig artikel 1, onder a tot en met c, bedraagt de maximale boete een bedrag van 150% van de uitkomsten van de op grond van artikel 1, onder a, tot en met artikel 2, onder d, gemaakte berekeningen en de uitkomsten.
**3..** Met aanwezig vermogen wordt bij de berekening van de boete geen rekening gehouden.
Artikel 5
Draagkracht en vermogen bij boete bepaling
Onderdeel van Beleidsregels bestuurlijke boete Participatiewet, IOAW en IOAZ Goeree-Overflakkee