Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 8.

Artikel 32a

Wlb. In dit artikel wordt bepaald dat gedurende de periode dat een graf niet geruimd mag worden het artikel 20, eerste lid, aanhef en onder e en f, van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek niet van toepassing is op hetgeen op het graf is geplaatst. Dit artikel van het Burgerlijk Wetboek betreft de natrekking. In 2002 heeft de Hoge Raad de uitspraak gedaan dat graftekens (van graven met uitsluitend recht als bedoeld in artikel 28 Wet op de lijkbezorging) middels natrekking in eigendom toebehoren aan de eigenaar van de grond. De consequentie van deze uitspraak was dat de begraafplaats als eigenaar van grafmonumenten aansprakelijk was voor de schade die het grafmonument aan een ander grafmonument of aan een ander object, mens of dier aanbrengt (risicoaansprakelijkheid). Het nieuwe wetsartikel legt de eigendom en daarmee ook de risicoaansprakelijkheid van de graftekens bij de eigenaar van het monument, die niet altijd dezelfde persoon is als de rechthebbende. Daarom is in de verordening op enkele plaatsen onderscheid gemaakt.

Onderdeel van Beheersverordening gemeentelijke begraafplaats en gedenkpark “De Leeuwerenk”2019

3.2 Vermindering administratieve lasten Veel zaken zijn in de Beheersverordening geregeld door middel van een meldingsplicht, zoals het houden van plechtigheden (artikel 5), het doen van begraven en het doen van bijzetten of doen verstrooien van as en het door nabestaanden zelf openen en sluiten van een graf (artikel 7). Een melding genereert weinig administratieve lasten. Slechts in twee gevallen moet een vergunning aangevraagd worden, voor het aanbrengen van een grafkelder (artikel 13) en voor het hebben van een grafbedekking (artikel 18). De vergunningplicht voor het hebben van een grafbedekking is gehandhaafd. Controle achteraf met als uiterste consequentie correctie, is juist bij grafbedekkingen, ongewenst. Het ontwerpen, de aanschaf en de plaatsing van een grafmonument gaat doorgaans met emoties gepaard. Wanneer achteraf blijkt dat het monument niet aan de eisen voldoet is het ondoenlijk om nabestaanden alsnog te vragen het gedenkteken aan te passen of in het uiterste geval te verwijderen. 3.3 Lex silencio positivo In artikel 29 van de Wet op de lijkbezorging is voor de vergunning tot opgraven een Lex silencio positivo opgenomen, dat wil zeggen dat wanneer op een aanvraag tot opgraving niet op tijd wordt beslist, de vergunning van rechtswege is verleend. Bij de beide vergunningen die deze Beheersverordening regelt (vergunning voor een grafmonument en vergunning voor een grafkelder) is niet voor de Lex silencio positivo gekozen. Op zich is hier tegen een Lex silencio positivo weinig bezwaar. De vergunning worden doorgaans tijdig verleend of afgewezen. Daarbij kunnen van tevoren regels worden gesteld die gelden voor een vergunning van rechtswege (bijvoorbeeld over maatvoering en materiaalgebruik). Bij de gemeente bestaat echter veel zorg over het ontstaan van situaties waarbij niet aan de regels wordt voldaan. De gemeente wil voorkomen dat nabestaanden achteraf worden geconfronteerd met een handhavingactie waarbij een grafmonument (of grafkelder) weer moet worden verwijderd omdat het niet aan de regels voldoet. Om die reden is in deze verordening afgezien van de Lex silencio positivo. 3.4 Europese Dienstenrichtlijn De Europese Dienstenrichtlijn (Richtlijn 2006/123/EG) schrijft de Lex silencio positivo dwingend voor bij vergunningenstelsel die onder de reikwijdte van deze richtlijn vallen. Dat is bij de vergunningen in deze verordening niet het geval. Het al dan niet toepassen van de Lex silencio positivo is een autonome keuze van de gemeente. De vorige verordening bevatte een bepaling die zich specifiek richtte tot dienstverleners, namelijk de steenhouwers, hoveniers en anderen die op de begraafplaats werkzaamheden verrichten (artikel 5, eerste lid). Om te voorkomen dat de volle lasten van de Dienstenrichtlijn op deze bepaling zouden komen te rusten (screening en notificatie) is besloten deze bepaling te schrappen. Bovendien is deze bepaling voor de ordelijke gang van zaken op de begraafplaats niet noodzakelijk, zoals hiervoor al is uiteengezet. B. Artikelsgewijze toelichting

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel