De gemeente kan de inwoner, die een uitkering ontvangt, een tegenprestatie opleggen. Bij het opdragen van een tegenprestatie staat meedoen naar vermogen en maatwerk centraal. De gemeente houdt in ieder geval rekening met de navolgende factoren:
de persoonlijke situatie en individuele omstandigheden van de inwoner;
de persoonlijke wensen en kwaliteiten van de inwoner;
maatschappelijke activiteiten, verplichte inburgeringactiviteiten, of vrijwilligerswerk dat al wordt gedaan;
de mate waarin eerst andere instrumenten en/of voorzieningen zijn benut om de maatschappelijke participatie van de inwoner te bevorderen.
De tegenprestatie mag het vinden van betaald werk niet belemmeren, mag naar zijn aard niet zijn gericht op toeleiding tot de arbeidsmarkt en mag niet als re-integratie instrument zijn bedoeld.
De gemeente draagt een inwoner geen tegenprestatie op als deze mantelzorg of vrijwilligerswerk verricht voor zover het verrichten van mantelzorg of vrijwilligerswerk naar het oordeel van de gemeente redelijkerwijs voldoende, noodzakelijk of wenselijk is.
De duur van de tegenprestatie wordt bepaald op basis van de individuele omstandigheden van de inwoner met een maximale duur van drie maanden voor ten hoogste 20 uur per week.
Afzien van opdragen van een tegenprestatie. Een tegenprestatie wordt in ieder geval niet opgelegd indien:
de inwoner in verband met arbeidsongeschiktheid volledig is vrijgesteld van arbeids-en re-integratieverplichtingen;
de betrokkene een alleenstaande ouder is en een ontheffing heeft als bedoeld in artikel 9a Participatiewet, of artikel38, lid 1 van de IAOW of IAOZ;
uitsluitend bijstand wordt verleend op grond van de bijzondere bijstand.