Naar hoofdinhoud
Met de riolering dragen we bij aan een goede volksgezondheid en een goede kwaliteit van het oppervlaktewater in onze gemeente. Bij alle aanleg, vervanging en verbetering van de riolering volgen we de trits ‘schoonhouden – scheiden – zuiveren’. Waar het kan houden we afvalwater gescheiden van schoon water. Na gebruik van het drinkwater ontstaat stedelijk afvalwater. Dit afvalwater zamelen we in en voeren we af zonder nadelige gevolgen voor de gezondheid. Dit betekent dat we stank en overlast zoveel mogelijk beperken. Ook het milieu mag geen nadelige gevolgen ondervinden van ons afvalwater. We houden de waterkwaliteit goed en brengen geen schade toe aan het milieu. Bij hevige regenbuien kan het rioolstelsel vol komen te staan en dan wordt het overtollige rioolwater via overstorten geloosd op oppervlaktewateren. Dit voorkomt dat vuil water op straat of in huizen naar boven komt. Lozingen door overstorten willen we zoveel mogelijk verminderen, maar we willen ook een robuust rioolstelsel met een beperkte kans op wateroverlast. Door het uitvoeren van hydraulische berekeningen houden we in beeld hoe groot de kans is op riooloverstortingen. Als er in de praktijk sprake is van een slechte waterkwaliteit rondom een riooloverstort zullen we onderzoek doen naar de mogelijkheid om het aantal overstortingen te verminderen. We vinden het belangrijk dat alle percelen waar afvalwater vrijkomt worden aangesloten op de riolering of op een zuiverende voorziening die een vergelijkbaar milieurendement biedt. Hierbij blijven we de ‘smalle zorgplicht’ volgen: als het doelmatig is leggen we zelf een riool aan, als het niet doelmatig is moeten burgers en bedrijven zelf zorgen voor de zuivering van huishoudelijk afvalwater. We vinden de aanleg van riolering voor een lozing tot en met 10 inwonerequivalenten in het buitengebied boven een omslagbedrag van € 8.949,- ondoelmatig omdat: Het emissie-aandeel van ongerioleerde percelen in het buitengebied klein is in verhouding tot de totale emissie naar het oppervlaktewater. Gesaneerde lozingen in het buitengebied in het verleden geen aantoonbare positieve invloed hebben gehad op de waterkwaliteit. De geringe meerwaarde voor het milieu geen hogere investering van de perceeleigenaar rechtvaardigt dan het omslagbedrag. Wanneer het een lozing betreft van meer dan 10 inwonerequivalenten, bijvoorbeeld een groter onderkomen voor seizoenarbeiders, volgen we het activiteitenbesluit. Buiten de bebouwde kom mag afvalwater niet in de bodem of op oppervlaktewater worden geloosd als de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool of zuiveringstechnisch werk minder of gelijk is aan: 100 meter bij meer dan 10 doch minder dan 25 inwonerequivalenten; 600 meter bij 25 doch minder dan 50 inwonerequivalenten; 1500 meter bij 50 doch minder dan 100 inwonerequivalenten; 3000 meter bij 100 of meer inwonerequivalenten.

Rechtspraak bij dit artikel