Het college merkt het inkomen tot 110% van de toepasselijke bijstandsnorm als bedoeld in artikel 4.1 lid 4 van deze beleidsregels aan als draagkrachtloos inkomen. In dat geval is er geen sprake van draagkracht.
Van het inkomen tussen 110% en 120% van de toepasselijke bijstandsnorm, wordt 20% als draagkracht in aanmerking genomen.
Van het inkomen tussen 120% en 150% van de toepasselijke bijstandsnorm, wordt bovendien 40% als draagkracht in aanmerking genomen.
Van het inkomen dat meer bedraagt dan 150% van de toepasselijke bijstandsnorm, wordt bovendien 100% als draagkracht in aanmerking genomen.
Het in aanmerking te nemen inkomen wordt vastgesteld volgens de regels voor algemene bijstand in de Participatiewet.
De verschuldigde eigen bijdrage op grond van de Wet langdurige zorg wordt aangemerkt als buitengewone uitgave waarmee rekening wordt gehouden bij de vaststelling van het in aanmerking te nemen inkomen.
Indien binnen een reeds vastgestelde draagkrachtperiode een nieuwe aanvraag bijzondere bijstand wordt ingediend, stelt het college de nog te verrekenen draagkracht uit inkomen vast op basis van de resterende draagkracht in die draagkrachtperiode.
Hoofdstuk 4
Artikel 4.3
Draagkracht en inkomen
Onderdeel van Beleidsregels bijzondere bijstand gemeente Krimpenerwaard 2019