Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning voor het innemen van een ligplaats intrekken of wijzigen, indien:

a.. zich alsnog een van de weigeringsgronden zoals opgenomen in de artikelen 4 en 7, derde lid voordoet;

b.. ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt;

c.. van de vergunning geen gebruik wordt gemaakt binnen een daarin gestelde termijn dan wel, bij gebrek aan een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn van 26 weken;

d.. de aan de vergunning verbonden voorschriften of beperkingen niet zijn of worden nagekomen;

e.. op grond van een verandering van beleid, omstandigheden of inzichten intrekking of wijziging nodig is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning is vereist;

f.. sprake is van een verzoek van de houder van de omgevingsvergunning voor het innemen van een ligplaats.