Naar hoofdinhoud

Artikel 1

Begripsbepalingen

Onderdeel van 3 Werktijdenregeling

Voor de toepassing van deze regeling wordt verstaan onder: a. GAR: de Gemeentelijke Arbeidsvoorwaardenregeling, zoals vastgelegd en nadien gewijzigd in de Collectieve arbeidsvoorwaardenregeling voor de sector gemeenten (CAR) en de Uitwerkingsovereenkomst (UWO), alsmede de lokaal vastgestelde rechtspositieregelingen; b. medewerker: de ambtenaar als bedoeld in artikel 1:1, eerste lid, onder a, van de GAR en de werknemer waarmee ingevolge artikel 2:5 van de GAR een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht is aangegaan; c. feitelijke arbeidsduur per dag: de arbeidsduur zoals die (volgens rooster) voor de medewerker voor een bepaalde dag is vastgesteld; d. feitelijke arbeidsduur per week: de arbeidsduur zoals die (volgens rooster) voor de medewerker voor een bepaalde week is vastgesteld; e. formele arbeidsduur per week: de arbeidsduur volgens de aanstelling; f. variabele werktijden: werktijden waarbij de aanvangs- en eindtijd niet vooraf zijn vastgelegd; g. dagvenster: de uren waarbinnen variabel gewerkt kan worden, zoals bedoeld in artikel 4:2, eerste en tweede lid, van de GAR. Het dagvenster loopt van maandag tot en met vrijdag tussen 07.00 en 22.00 uur; h. volledige betrekking: de volledige betrekking zoals bedoeld in artikel 1:1, eerste lid, onder k, van de GAR; i. contacttijden: vaste tijdsblokken die de leidinggevende kan aanwijzen en waarop de medewerker aanwezig, beschikbaar of bereikbaar moet zijn; j. adequate bezetting: een zodanige bezetting van een afdeling of een team dat bedrijfsvoering op het gewenste kwaliteitsniveau is verzekerd. De adequate bezetting wordt in het concern-, afdelings- of teamplan vastgelegd; k. brugdag: een dag die ligt tussen twee dagen waarop geen arbeid wordt verricht, jaarlijks door het college vast te stellen in overleg met de Ondernemingsraad.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel