Lid 1
Aan de medewerker kan beschikbaarheidsdienst worden opgedragen. Onder beschikbaarheidsdienst wordt verstaan de verplichting van de medewerker om beschikbaar te zijn buiten de voor zijn functie vastgestelde werktijden, zoals bedoeld in artikel 2:1B, tweede lid, onder c, van de GAR.
Lid 2
De medewerker kan met beschikbaarheidsdienst worden belast:
a. op een zaterdag en/of een zondag;
b. gedurende één of meer van de overige dagen van de week;
c. gedurende een kalenderweek.
Lid 3
Beschikbaarheidsdienst kan in een tijdvak van twaalf opeenvolgende weken in de regel worden opgedragen:
a. voor ten hoogste vier zaterdagen en daarop aansluitende zondagen, met dien verstande dat de daarop volgende zaterdag en zondag geen beschikbaarheidsdienst wordt verricht:
b. voor ten hoogste vier zaterdagen of vier zondagen, indien de daarop volgende zaterdag, respectievelijk zondag, geen beschikbaarheidsdiensten worden verricht:
c. voor andere dan de onder a. en b. genoemde dagen, voor ten hoogste 28 dagen en gedurende niet meer dan zes opeenvolgende dagen, met dien verstande dat na afloop van deze dienst eenzelfde aantal dagen als welke deze dienst heeft geduurd, geen beschikbaarheidsdienst wordt verricht:
d. voor ten hoogste vier kalenderweken, met dien verstande, dat tussen twee weken zodanige dienst tenminste één week geen beschikbaarheidsdienst wordt verricht.