Naar hoofdinhoud

Artikel 1c

Begrippenkader

Onderdeel van Treasurystatuut Peel en Maas

In dit statuut wordt verstaan onder: Daggeld(lening): Geld dat wordt (uit)geleend maar dadelijk opeisbaar blijft (ook wel: callgeld) Derivaten: Financiële instrumenten die hun bestaan ontlenen aan een bepaalde onderliggende waarde. De onderliggende waarden kunnen financiële producten, zoals leningen of obligaties zijn. Derivaten worden onder andere gebruikt om renterisico’s te sturen en financieringskosten te minimaliseren. Deposito: Geldbedrag dat aan een (financiële) instelling of decentrale overheid of Rijk wordt toevertrouwd voor een bepaalde periode tegen een bepaalde rentevergoeding. Gedurende de afgesproken periode kan niet vrij over dat geld worden beschikt. Drempelbedrag: Het drempelbedrag wordt bepaald op basis van het begrotingstotaal van het openbaar lichaam. En is het bedrag wat gemiddeld gedurende een kwartaal aan het einde van de dag op de rekening-courant mag staan buiten de schatkist. EMU-Saldo: Het saldo van de ontvangsten en de uitgaven van de collectieve sector in een jaar, zijnde het netto financieringssaldo van de collectieve sector, berekent overeenkomstig de voorschriften van het Europees systeem van nationale en regionale rekeningen in de Europese Unie. FIDO: De Wet Financiering Decentrale Overheden; Inclusief laatste wijzigingen per : 15 december 2013) Financiële vaste activa: Duurzaam financieel belang dat de gemeente heeft bij een andere partij. Het kan hierbij gaan om kapitaalverstrekkingen, uitgezette geldleningen, overige uitzettingen (beleggingen) en bijdragen aan activa in eigendom van derden. Financiering: Het aantrekken van benodigde financiële middelen voor een periode van minimaal één jaar. Deze middelen kunnen bestaan uit zowel eigen vermogen als vreemd vermogen. Geldstromenbeheer: Al die activiteiten die nodig zijn om liquiditeiten te transfereren zowel binnen de organisatie zelf als tussen de organisatie en derden (betalingsverkeer). Intern liquiditeitsrisico: De risico’s van mogelijke wijzigingen in de liquiditeitenplanning en meerjaren-investeringsplanning waardoor financiële resultaten kunnen afwijken van de verwachtingen. Intradaglimiet: De intradaglimiet geeft het maximale bedrag weer dat de gemeente per dag van de schatkistbankieren werkrekening ten laste van de rekening-courant bij de schatkist kan opnemen. Kasgeldleningen: Niet verhandelbare leningen voor een vast bedrag en voor een vaste periode (tot maximaal één jaar tegen een vooraf overeengekomen rentepercentage). Kasgeldlimiet: Een bedrag op basis van de wet FIDO ter grootte van een percentage van het totaal van de jaarbegroting van de gemeente bij aanvang van het jaar. Koersrisico: Het risico dat financiële vaste activa van de organisatie in waarde verminderen door negatieve koersontwikkelingen. Kredietrisico: De risico’s op een waardedaling van een vordering ten gevolge van het niet (tijdig) na kunnen komen van de verplichtingen door de tegenpartij als gevolg van financieel onvermogen. Liquiditeitenbeheer: Het aantrekken en uitzetten van middelen voor een periode tot één jaar. Liquiditeitenplanning: Een gestructureerd overzicht van de toekomstige inkomsten en uitgaven ingedeeld naar aard en tijdseenheid. Liquiditeitspositie: Omvat het totaal van de rekening-courantsaldi, kasgeld- en daggeldleningen og/ug (opgenomen geld en uitgeleend geld). Onderhandse leningen: Dit zijn leningen waarbij de geldgever (aanbieder) en de geldnemer (vrager) rechtstreeks met elkaar de voorwaarden van een lening vaststellen. Publieke taak: Gemeenten kunnen uitsluitend leningen aangaan, middelen uitzetten en garanties verlenen voor de uitoefening van de publieke taak. De Wet FIDO geeft aan het begrip publiek taak een beperkte invulling. Bankachtige activiteiten(het aantrekken en uitzetten van middelen met als doel het genereren van inkomen) worden hiertoe niet gerekend en zijn verboden. Overigens is het de raad van de gemeente die het kader van de publieke taak, binnen de normen van de Wet FIDO bepaalt. Prudent karakter: Het aangaan van financiële transacties met als oogmerk om die financiële waarden te zijner tijd met winst te verkopen, is nadrukkelijk niet toegestaan. Bankachtige activiteiten – het aantrekken en uitzetten van middelen met als doel het genereren van inkomsten- zijn als gevolg van deze bepaling verboden. Rating: De inschatting van de kans op eventuele wanbetalingen bij toekomstige rente- en aflossingsbetalingen op schuldpapier. De drie meeste gerenommeerde ratingbureaus zijn: Fitch, Standard & Poor’s en Moody’s. De weergave van de rating verschilt bij deze drie bureaus en is in onderstaande tabel weergegeven: Fitch: Standard & Poor’s: Moody’s: AAA AAA Aaa AA-plus AA-plus Aa1 AA AA Aa2 AA-minus AA-minus Aa3 A-plus A-plus A1 A A A2 A-minus A-minus A3 Regeling schatkistbankieren decentrale overheden: Regeling van de Ministers van Financiën, Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Infrastructuur en Milieu van 5 december 2013 houdende de vaststelling van regels ter uitvoering van het verplicht schatkistbankieren voor decentrale overheden. Renterisico: Het gevaar van ongewenste veranderingen van de (financiële) resultaten van de gemeente door rentewijzigingen. Renterisiconorm: Het maximumbedrag conform de Wet FIDO waarover in enig jaar renterisico mag worden gelopen als gevolg van aflossingen en renteherziening, gebaseerd op een wettelijk vastgesteld percentage van het totaal van de begroting van de gemeente bij aanvang van het jaar. Rentetypische looptijd: Het tijdsinterval gedurende de looptijd van een geldlening, waarin op basis van de voorwaarden van de geldlening sprake is van een door de verstrekker van de geldlening niet beïnvloedbare, constante rentevergoeding. Rentevisie: Toekomstverwachting over de renteontwikkeling. Ruddo: De Regeling uitzettingen en derivaten decentrale overheden. (Inclusief laatste wijzigingen per 1 januari 2012) Saldobeheer: Het beheer van de dagelijkse saldi op de rekeningen. Schatkistbankieren: Het verplicht aanhouden van overtollige liquide middelen en beleggingen bij het ministerie van Financiën door gemeenten, provincies, waterschappen en door hen opgerichte gemeenschappelijke regelingen. Waarbij het niet langer mogelijk is om financiële geldmiddelen en vermogen bij private partijen buiten de schatkist aan te houden. De middelen die een decentrale overheid in de schatkist aanhoudt, blijven beschikbaar voor de uitoefening van hun publieke taak. Bij het opnemen is wel een intradaglimiet van toepassing. Solvabiliteitsratio: Het, voor een in de Europese Economische Ruimte (Europese Unie uitgebreid met Noorwegen, IJsland en Liechtenstein) gevestigde financiële onderneming, voorgeschreven minimumniveau aansprakelijk vermogen tegenover naar risicograad afgewogen activa. Treasuryfunctie: De treasuryfunctie omvat alle activiteiten die zich richten op het besturen, beheersen, verantwoorden en het toezicht houden op de financiële vermogenswaarden, de financiële stromen, de financiële posities en de hieraan verbonden risico’s. De treasuryfunctie bestaat uit vier deelfuncties: risicobeheer, gemeentefinanciering, kasbeheer en debiteuren- en crediteurenbeheer. Uitzetting: Het tijdelijk toevertrouwen van liquiditeiten aan derden tegen vooraf overeengekomen condities en bedingen. Kortlopende uitzettingen hebben betrekking op een periode tot één jaar en langlopende uitzettingen hebben betrekking op een periode van één jaar of langer. Wet verplicht Schatkistbankieren: De wijziging van de Wet financiering decentrale overheden in verband met het rentedragend aanhouden van liquide middelen in ‘s Rijks schatkist.

Rechtspraak bij dit artikel