1. Aan het bestuur van de veiligheidsregio worden de bevoegdheden, genoemd in artikel 10 van de Wet veiligheidsregio’s overgedragen. Voor de wijze van uitoefening van deze bevoegdheden wordt een overeenkomst afgesloten tussen de veiligheidsregio en de gemeenten.
2. De colleges kunnen, afzonderlijk of tezamen, andere taken of bevoegdheden opdragen of overdragen aan het bestuur van de veiligheidsregio, voor zover deze taken binnen het belang van de regeling vallen, als omschreven in artikel 1.2. Het algemeen bestuur moet instemmen met deze aanvullende overdracht of opdracht van taken of bevoegdheden. De wijze van uitvoering van deze taken wordt in een overeenkomst tussen de veiligheidsregio en de betreffende gemeenten vastgelegd.
3. Het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur en de voorzitter kunnen afzonderlijk of tezamen, ieder voor zover zij voor de veiligheidsregio bevoegd zijn, een gemeenschappelijke regeling treffen ter behartiging van een of meer bepaalde belangen van de veiligheidsregio, onverminderd het bepaalde in artikel 93 onderscheidenlijk artikel 96 van de Wet gemeenschappelijke regelingen.
4. Het dagelijks bestuur en de voorzitter gaan niet over tot het treffen van een regeling dan na verkregen toestemming van het algemeen bestuur. De toestemming kan slechts worden onthouden wegens strijd met het recht of het algemeen belang. Het algemeen bestuur beslist niet over de toestemming, dan nadat de raden ten minste acht weken hebben gehad hun zienswijzen omtrent het treffen van de gemeenschappelijke regeling bij het dagelijks bestuur bekend te maken. Het dagelijks bestuur voegt de zienswijzen bij de gemeenschappelijke regeling zoals die aan het algemeen bestuur wordt aangeboden.
HOOFDSTUK 3: › Paragraaf
Artikel 3.1
Taken
Onderdeel van Gemeenschappelijke regeling Veiligheidsregio Utrecht