Naar hoofdinhoud

Artikel 6

Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid

Onderdeel van Handhavings- en afstemmingsverordening inkomensvoorzieningen gemeente Amstelveen

1.. Indien een belanghebbende een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in de noodzakelijke kosten van het bestaan heeft betoond als bedoeld in artikel 18, tweede lid van de WWB, wordt de algemene bijstand afgestemd op de mate waarin de belanghebbende als gevolg van eigen toedoen of nalatigheid niet beschikt over de middelen om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien. 2.. Met uitzondering van de in lid 5 van dit artikel genoemde gedragingen, wordt de hoogte van de algemene bijstand afgestemd op de voor belanghebbende geldende bijstandssnorm verminderd met 10% van het benadelingsbedrag, met een minimum van € 50,- en een maximum van 100% van de bijstandsnorm gedurende 1 maand. 3.. Er is sprake van recidivegedraging indien: in de twaalf maanden voorafgaande aan een besluit waarmee de algemene bijstand wordt afgestemd, reeds een besluit is genomen waarmee de algemene bijstand van de belanghebbende is afgestemd, het college kan dan de periodes in lid 2 verdubbelen; in de twaalf maanden voorafgaande aan een besluit waarmee de algemene bijstand wordt afgestemd, reeds een afstemming heeft plaatsgevonden vanwege een recidivegedraging, het college kan dan de periodes in lid 2 verdrievoudigen. 4.. Met een besluit waarmee de algemene bijstand is afgestemd wordt gelijkgesteld het besluit om daarvan af te zien op grond van dringende redenen, bedoeld in artikel 2, vijfde lid. 5.. Indien sprake is van onverantwoord interen van het eigen vermogen of het niet of te laat indienen van een aanvraag voor een voorliggende voorziening vindt, in afwijking van het tweede lid, afstemming plaats door het verstrekken van de algemene bijstand als renteloze lening gedurende de periode dat de belanghebbende als gevolg van zijn gedraging eerder of langer recht heeft op algemene bijstand. 6.. Het college kan het bedrag in afwijking van het tweede lid vaststellen. Hierbij houdt het college rekening met de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de persoonlijke omstandigheden van de belanghebbende.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel