1 De aangifteplichtige doet van het hebben of houden van destructiemateriaal zo spoedig mogelijk doch uiterlijk op de eerste werkdag, volgende op de dag, waarop dit materiaal als zodanig is ontstaan, aangifte bij de directeur. De directeur regelt de plaats waar en de uren binnen welke deze aangifte moet geschieden alsmede de wijze waarop.
2 De aangifte geschiedt onder opgave van de soort en hoeveelheid van het destructiemateriaal, alsmede de plaats, waar het zich bevindt.
3 De directeur voert met inachtneming van het bepaalde in artikel 12, lid 2, van de wet de administratie ten aanzien van de aangiften.
4 Door of vanwege de directeur wordt op verzoek van de aangifteplichtige een gewaarmerkt schriftelijk bewijsstuk verstrekt aan de aangifteplichtige.