Een cliënt komt voor maximaal 6 maanden voor maatschappelijke opvang in aanmerking, wanneer de cliënt:
a. dakloos is, al dan niet voorafgaand aan detentie of een opname in een (psychiatrische) kliniek;
b. geen mogelijkheden heeft om zelf de dakloosheid op te heffen, al dan niet met gebruikmaking van het eigen sociale netwerk of door interventie van derden;
c. de (meeste) sociale binding heeft in de regio en centrumgemeente Den Haag, en
d. in verband met de opvang, de door het college gestelde voorwaarden in acht neemt.
Voor het bepalen met welke regio en centrumgemeente de cliënt de meeste sociale binding heeft, beoordeelt het college:
a. de woonplaats van familie of andere personen waarmee betrokkene een positieve sociale relatie onderhoudt;
b. de plaats waar aantoonbare bekendheid is bij de hulpverlening, dit gebaseerd op een duurzame relatie met de hulpverlening of politie, en
c. de plaats waar de cliënt eerder gebruik heeft gemaakt van voorzieningen voor maatschappelijke opvang.
Hoofdstuk 3 › Paragraaf 3.8
Artikel 3.8.2
Criteria maatschappelijke opvang
Onderdeel van Regeling Maatschappelijke Ondersteuning Den Haag 2018