Een cliënt die licht verstandelijk beperkt is, komt voor opvang in aanmerking wanneer de cliënt:
a. vanwege aspecten in verband met zijn (licht) verstandelijke beperking aangewezen is op opvang met begeleiding om mee te kunnen doen in de maatschappij, en
b. geen mogelijkheden heeft om al dan niet met gebruikmaking van het eigen sociale netwerk of door interventie van derden in opvang of alternatieve huisvesting te voorzien.
Hoofdstuk 3 › Paragraaf 3.8
Artikel 3.8.4
Criteria opvang (licht) verstandelijk beperkten
Onderdeel van Regeling Maatschappelijke Ondersteuning Den Haag 2018