Het college onderzoekt in een gesprek tussen deskundigen en degene door of namens wie de melding is gedaan, dan wel diens vertegenwoordiger en waar mogelijk met de mantelzorger of mantelzorgers en desgewenst familie, zo spoedig mogelijk en voor zover nodig:
de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren van de cliënt;
het gewenste resultaat van het verzoek om ondersteuning;
de mogelijkheden om op eigen kracht of met gebruikelijke hulp of algemeen gebruikelijke voorzieningen zijn zelfredzaamheid of zijn participatie te handhaven of te verbeteren, of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang;
de mogelijkheden om met mantelzorg of hulp van andere personen uit het sociaal netwerk te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie, of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang;
de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger van de cliënt;
de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening of gebruikelijke ondersteuning zoals bedoeld in de verordening, zijn zelfredzaamheid of zijn participatie te handhaven of te verbeteren, of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang;
de mogelijkheden om te komen tot een zo goed mogelijke samenwerking door middel van participatie met:
1°. zorgverzekeraars en zorgaanbieders als bedoeld in de Zorgverzekeringswet,
2°. partijen op het gebied van publieke gezondheid,
3°. jeugdhulpverlening,
4°. onderwijsorganisaties,
5°. welzijnsorganisaties,
6°. woonorganisaties, of
7°. organisaties voor werk en inkomen.
welke bijdragen in de kosten de cliënt met toepassing van het bepaalde bij of krachtens artikel 2.1.4, 2.1.4a en 2.1.4b van de wet verschuldigd zal zijn; en
de mogelijkheden om te kiezen voor de verstrekking van een pgb, waarbij de cliënt in begrijpelijke bewoordingen wordt ingelicht over de gevolgen van die keuze.
Wanneer de cliënt toepassing heeft gegeven aan artikel 1.2.2, zesde lid betrekt het college dat plan bij het onderzoek, bedoeld in het eerste lid.
Het college informeert de cliënt over de gang van zaken bij het gesprek, diens rechten en plichten en de vervolgprocedure en wijst op de verwerking van diens persoonsgegevens.
Wanneer de hulpvraag voldoende in kaart gebracht is met de gegevens als bedoeld in dit artikel, kan het college onverminderd het bepaalde in artikel 2.3.2 van de wet en alleen in overleg met de cliënt, afzien van een gesprek.
Hoofdstuk 1 › Paragraaf 1.2
Artikel 1.2.3
Gesprek
Onderdeel van Regeling Maatschappelijke Ondersteuning Den Haag 2018