Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 7

Artikel 23

Omgevingsvergunning

Onderdeel van Erfgoedverordening Altena 2019

1.. Een omgevingsvergunning kan slechts worden verleend indien een rapport is overgelegd waarin de archeologische waarde van het te verstoren terrein naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld en waaruit blijkt dat: het behoud van de archeologische waarden in voldoende mate is geborgd; of de archeologische waarden door de verstoring niet onevenredig worden geschaad; of in het geheel geen archeologische waarden aanwezig zijn. 2.. Het college kan nadere regels stellen over het verrichten van archeologisch onderzoek: de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor monumenten in de bodem kunnen worden behouden; de verplichting tot het doen van inventariserend veldonderzoek en/of een opgraving; de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een gecertificeerde partij op het terrein van de archeologische monumentenzorg. 3.. De gevraagde omgevingsvergunning kan worden geweigerd, indien de archeologische waarden die in het geding zijn naar het oordeel van burgemeester en wethouders in situ behouden dienen te blijven. 4.. Het bepaalde in lid 1 geldt niet voor terreinen/gebieden die in overeenstemming met paragraaf 3.1 van de Erfgoedwet 2016 zijn aangewezen als beschermd archeologisch rijksmonument.

Rechtspraak bij dit artikel