1. Indien het college geen contract heeft gesloten met aanbieders van de betreffende, te verstrekken maatwerkvoorziening (in de vorm van een zaak), wordt op basis van twee door de cliënt op te vragen offertes alsnog de goedkoopst passende voorziening gezocht ter vaststelling van de hoogte van het persoonsgebonden budget.
2. Voor woningaanpassingen is het vorige lid slechts van toepassing indien de maatwerkvoorziening niet vermeld is in de codelijst verkorte procedure woningaanpassingen. Indien de codelijst van toepassing is, wordt de hoogte van het persoonsgebonden budget voor de betreffende maatwerkvoorziening vastgesteld als tegenwaarde van het bedrag voor die voorziening zoals vermeld in de codelijst.
3. De hoogte van het persoonsgebonden budget voor een traplift wordt toegekend op basis van twee door de cliënt op te vragen offertes waarbij de goedkoopst passende voorziening gezocht wordt ter vaststelling van de hoogte van het persoonsgebonden budget.
4. Het persoonsgebonden budget voor vervoersvoorzieningen wordt toegekend op basis van de tegenwaarde van de (koop)prijs van de goedkoopst compenserende nieuwe voorziening inclusief onderhoud en wa-verzekering zoals dat door het college aan de leverancier wordt betaald waarmee de gemeente een contract heeft gesloten.
5. Het persoonsgebonden budget voor een rolstoel wordt toegekend op basis van de tegenwaarde van de (koop)prijs van de goedkoopst compenserende voorziening inclusief onderhoud zoals dat door het college aan de leverancier wordt betaald waarmee de gemeente een contract heeft gesloten.
6. Het college is bevoegd om hierover nadere regels te stellen.
HOOFDSTUK 3:
Artikel 14
B. De hoogte van het persoonsgebonden budget voor een zaak
Onderdeel van VERORDENING MAATSCHAPPELIJKE ONDERSTEUNING 2019