1. Een cliënt kan in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening beschermd wonen als:
a. de cliënt rechtmatig in Nederland verblijft, en;
b. de cliënt 18 jaar of ouder is, en;
c. de cliënt zich niet zelfstandig kan handhaven in de samenleving en dit niet op te lossen is met eigen kracht, mantelzorg, een algemene voorziening of een algemeen gebruikelijke voorziening, en;
d. de cliënt voor zijn eigen veiligheid en die van zijn omgeving 24 uur per dag zorg, begeleiding en/ of toezicht nodig heeft. Deze zorg, begeleiding en toezicht zijn intensief en onplanbaar. Deze zorg, begeleiding en toezicht zijn aanwezig of oproepbaar, en;
e. een ter zake kundige en bevoegde professional de psychiatrische, psychische of psychosociale problematiek heeft vastgesteld, en;
f. de problemen die de cliënt ondervindt in het zelfstandig handhaven in de samenleving is niet op te lossen met wettelijk voorliggende voorzieningen zoals:
de Zorgverzekeringswet, of;
de Wet langdurige zorg, of;
de Jeugdwet, of;
Wet forensische zorg.
g. (intramurale) behandeling voor de psychiatrische of psychische aandoening of beperking is afgerond of staat niet (meer) op de voorgrond, en;
h. er niet sprake is van een acute situatie in de geestelijke gezondheid, dakloosheid of acute problematiek op andere leefdomeinen, en;
2. Een besluit tot toekenning van een maatwerkvoorziening beschermd wonen kan, naast artikelen 2.3.5 lid 6 en 2.3.10 in de Wmo 2015 en de artikelen 5 en 11 in de Verordening, worden geweigerd, herzien of ingetrokken indien:
a. de cliënt niet langer meewerkt aan het goed functioneren van de maatwerkvoorziening beschermd wonen, of
b. de cliënt niet langer meewerkt aan het komen tot de in het Leefzorgplan vastgelegde resultaten.
3. Een cliënt komt niet in aanmerking voor een maatwerkvoorziening beschermd wonen indien hij/zij in staat is om zelfstandig te wonen met ambulante ondersteuning. In dat geval is:
a. de cliënt in staat om zelf, of met hulp van zijn sociale netwerk, tijdig signaleren te herkennen van het afnemen van zijn psychische stabiliteit en/of een hulpvraag te signaleren, en;
b. de cliënt in staat zichzelf en zijn gedrag dusdanig te begrenzen en te stabiliseren dat zijn gedrag niet leidt tot overlast, agressie of schade aan het welzijn van de cliënt zelf en zijn omgeving, maar heeft ondersteuning nodig om zijn gedrag te reguleren, en;
c. de cliënt in staat om zelf een hulpvraag te signaleren en uit te stellen naar de volgende dag en ondersteuning af te roepen indien hij/zij dat wenst;
4. Het college is bevoegd hierover nadere regels te stellen.
HOOFDSTUK 3:
Artikel 21
Aanvullende criteria en voorwaarden voor beschermd wonen
Onderdeel van VERORDENING MAATSCHAPPELIJKE ONDERSTEUNING 2019