Degene die bij de gemeente bekend staat als degene die het vergunde project wil verrichten, als bedoeld in artikel 2.25 eerste en tweede lid van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, ontvangt een schriftelijke kennisgeving van het voornemen tot intrekking van de omgevingsvergunning indien:
na het verloop van drie jaar na het onherroepelijk worden van de omgevingsvergunning, betrekking hebben op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, b of g,
de vergunninghouder nog niet heeft voldaan aan de in artikel 1.25 van het Bouwbesluit 2012 opgenomen verplichting om de aanvang van de werkzaamheden te melden, dan wel:
bij controle is gebleken dat er feitelijk gedurende ten minste 26 weken, onderscheidenlijk de in de vergunning bepaalde termijn, geen aanvang of voortgang is gemaakt met de vergunde activiteit.
na het verloop van drie jaar na het onherroepelijk van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder b of c, geen aanvang is gemaakt met de vergunde activiteit.
In de kennisgeving wordt meegedeeld dat tot intrekking kan worden overgegaan.
De vergunninghouder wordt verzocht aan te geven wanneer hij alsnog met de werkzaamheden start. Ook wordt hem verzocht aan te geven wat zijn (financiële) belangen zijn om de vergunning alsnog te behouden.
Het college beslist tot intrekking van de vergunning als de feiten en betrokken belangen daartoe aanleiding geven, met het oog op de volgende afwegingen:
overzichtelijkheid van het bestand aan vigerende omgevingsvergunningen
juistheid van de Basisregistraties voor Adressen en Gebouwen (BAG)
uitvoerbaarheid van de onroerende zaakbelasting;
kenbaarheid van bebouwingsmogelijkheden voor derde-belanghebbenden
de (financiële) belangen van degene die het vergunde project kan verrichten.