Een lid van de raad voert het woord na het aan de voorzitter gevraagd en van hem verkregen te hebben.
Een raadslid dat het woord vraagt:
voor het geven van een beknopte mondelinge toelichting op een initiatiefvoorstel;
voor een persoonlijk feit, doch niet nadat het betreffende raadslid dit beknopt heeft toegelicht;
voor het indienen van een voorstel van orde;
krijgt het eerst het woord.
Hoofdstuk 4 › Paragraaf 3
Artikel 28.