Ieder lid van de raad kan totdat de stemming over het onderwerp begint amendementen indienen. Alleen beraadslaagd kan worden over amendementen die ingediend zijn door leden van de raad, die de presentielijst getekend hebben en in de vergadering aanwezig zijn.
Een amendement dient schriftelijk en ondertekend bij de voorzitter te worden ingediend. De voorzitter kan bepalen - met het oog op het eenvoudige karakter van het voorgestelde, dat met een mondelinge indiening kan worden volstaan.
Ieder lid van de raad dat in de vergadering aanwezig is, is bevoegd op het amendement als bedoeld in het vorige lid, een wijziging voor te stellen (subamendement).
Elk (sub)amendement en elk voorstel moet om in behandeling genomen te kunnen worden schriftelijk en tenminste ondertekend door één raadslid bij de voorzitter worden ingediend, tenzij de voorzitter - met het oog op het eenvoudige karakter van het voorgestelde- oordeelt, dat met een mondelinge indiening kan worden volstaan.
Intrekking, door de indiener(s), van het (sub)amendement is mogelijk tot het einde van de beraadslagingen.
Hoofdstuk 5
Artikel 42.