1 De vergunning kan door burgemeester en wethouders worden ingetrokken indien:

a blijkt dat de vergunning ten gevolge van een onjuiste of onvolledige opgave is verleend;

b blijkt dat de vergunninghouder de voorschriften als bedoeld in artikel 9 lid 2 niet naleeft;

c de omstandigheden aan de kant van de vergunninghouder zich zodanig hebben gewijzigd, dat het belang van het te beschermen gemeentelijk monument zwaarder dient te wegen.

d niet binnen 52 weken van de vergunning gebruik wordt gemaakt.

2 Van de beschikking tot intrekking wordt een afschrift aan de monumentencommissie gezonden.