Naar hoofdinhoud
1.. Het college kan op verzoek van de belanghebbende tot gehele of gedeeltelijke kwijtschelding van de teruggevorderde bijstand overgaan als: redelijkerwijs te voorzien is dat de belanghebbende niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden, en redelijkerwijs te voorzien is dat een schuldenregeling met betrekking tot alle schulden niet tot stand komt zonder de medewerking van de gemeente, en de vordering van de gemeente ten minste zal worden voldaan naar evenredigheid met de vorderingen van schuldeisers van gelijke rang. Hierbij wordt rekening gehouden met de wettelijke preferentie van onze vordering(en). 2.. Het vorenstaande is niet van toepassing bij: verwijtbare vorderingen, waarbij sprake is van opzet of grove schuld; vorderingen die een bestuurlijke boete betreffen, waarbij sprake is van opzet of grove schuld, of vorderingen die door een pand of hypotheek op een goed of goederen zijn gedekt voor zover zij niet op deze goederen verhaald kunnen worden. 3.. Het besluit tot geheel of gedeeltelijk kwijtschelden van de vordering treedt niet eerder in werking voordat de schuldenregeling daadwerkelijk tot stand is gekomen. 4.. Het besluit tot het geheel of gedeeltelijk kwijtschelden van de vordering wordt ingetrokken als: de schuldenregeling niet binnen twaalf maanden na het nemen van het besluit tot stand is gekomen; de belanghebbende niet of niet voldoende meewerkt aan de schuldenregeling; belanghebbende onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt, en de verstrekking van de juiste gegevens tot een ander besluit zou hebben geleid; of binnen een jaar nadat de bestuurlijke boete is opgelegd nogmaals een overtreding wegens eenzelfde gedraging is begaan.

Rechtspraak bij dit artikel