Naar hoofdinhoud
1.. Het college ziet ambtshalve van verdere terugvordering af, indien de belanghebbende: gedurende 3 jaar (36 maanden) op zijn geldlening of niet verwijtbare vordering heeft afgelost, of gedurende 10 jaar (120 maanden) op zijn verwijtbare vordering heeft afgelost; gedurende 3 jaar (geldlening of niet verwijtbare vordering) of 10 jaar (verwijtbare vordering) niet volledig aan de aflossingsverplichting heeft voldaan, maar de achterstallige aflossingen over deze periode alsnog ineens voldoet; gedurende 10 jaar geen betalingen heeft verricht en het niet aannemelijk is dat hij deze op enig moment nog gaat verrichten; of een bedrag van ten minste 50% van de restsom ineens voldoet. 2.. Het vorenstaande is niet van toepassing bij: vorderingen die door een pand of hypotheek op een goed of goederen zijn gedekt, voor zover de vorderingen niet op die goederen verhaald kunnen worden; en vorderingen die een bestuurlijke boete betreffen, waarbij sprake is van opzet of grove schuld. 3.. Hetgeen in het eerste lid is bepaald ten aanzien van verwijtbare vorderingen, is niet van toepassing op verwijtbare vorderingen waarvan het besluit tot terugvordering is genomen voor 1 januari 2013. Ten aanzien van verwijtbare vorderingen die dateren van voor 1 januari 2013 geldt een termijn 5 jaar (60 maanden). 4.. Met een verwijtbare vordering wordt voor de toepassing van dit artikel en artikel 8 gelijkgesteld, een vordering op grond van artikel 58 lid 2 sub b van de P-wet (teruggevorderde geldlening) en een vordering op grond van artikel 58 lid 2 sub f van de P-wet (later ontvangen middelen).

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel