Naar hoofdinhoud
Indien vanwege bijzondere omstandigheden aan niet studerende jongeren van 18 t/m 20 jaar aanvullende bijstandsverlening noodzakelijk is, wordt de aanvullende bijzondere bijstand afgestemd op de noodzakelijke kosten voor levensonderhoud waarmee de jongere wordt geconfronteerd. Is de jongere zelfstandig gehuisvest dan wordt de jongerennorm aangevuld tot de norm voor een 21 jarige (artikel 21 PW). Verblijft de jongere in de maatschappelijke opvang en is hij géén huur verschuldigd dan wordt voor het bepalen van de hoogte van de aanvullende bijstand afgestemd op de inrichtingsnorm bedoeld in artikel 23, eerste lid PW. Omdat de opvangsituatie wat betreft kosten vergelijkbaar is met de kosten bij een intramuraal verblijf ontvangt de jongere dan bovenop de jongerennorm een aanvulling tot die inrichtingsnorm. Betaalt de jongere in de opvang wel huur dan wordt de jongerennorm met bijzondere bijstand aangevuld tot 50% van het wettelijk netto minimumloon (WML). Voor thuisinwonende jongeren wordt de jongerennorm ex artikel 20 PW toereikend geacht. Deze jongeren ontvangen dus geen aanvullende bijzondere bijstand. De PW blijft voor wat betreft de participatieverplichtingen voor al deze jongeren onverkort van toepassing. De hoogte van de bijstand voor jongeren die op basis van een indicatiestelling Beschermd Wonen in het kader van de WMO of de Jeugdwet in een instelling verblijven of die semi-muraal of zelfstandig gehuisvest zijn, wordt eveneens afgestemd op de noodzakelijke kosten voor levensonderhoud waarmee de jongeren daadwerkelijk worden geconfronteerd. Het indicatiebesluit en het daarbij behorend arrangement zijn hierbij leidend. Is sprake van zelfstandig wonen met de daaraan gekoppelde woonlasten dan wordt de jongerennorm aangevuld tot de volledige bijstandsnorm voor een 21 jarige. Heeft Beschermd Wonen de vorm van opvang (semi-muraal) en is de jongere geen huur verschuldigd dan wordt de jongerennorm aangevuld tot de inrichtingsnorm bedoeld in artikel 23, eerste lid PW. Net als bij de jongere die zonder indicatie in de opvang verblijft wordt deze aanvulling gelet op de kosten waarmee deze jongeren worden geconfronteerd voldoende dekkend geacht. Betaalt de jongere wel huur dan reikt de aanvulling tot 50% van het wettelijk netto minimumloon (WML). Woont de jongere intramuraal (Beschermd Wonen basis of licht) dan wordt bijzondere bijstand verleend ter hoogte van de inrichtingsnorm bedoeld in artikel 23 PW. Die norm is immers gebaseerd op de kosten van een intramuraal verblijf. Wat betreft de participatieverplichting mag voor zich spreken dat hier vaker maatwerk moet plaatsvinden. Naast indicaties in het kader van de WMO zijn er ook indicaties ingevolge de WLZ. Zo kan een jongere op basis van zo’n WLZ-besluit zorg thuis ontvangen. De bijstandnorm voor jongeren vermeld in artikel 20 PW is dan toereikend en aanvullende bijzondere bijstand niet nodig. Heeft de jongere een eigen woonruimte of verblijft hij in een instelling dan wordt de hoogte van de bijstand afgestemd op de noodzakelijke kosten voor levensonderhoud die daarmee gepaard gaan. Ook hier is het indicatiebesluit en het daarbij behorend arrangement leidend. Woont de jongere zelfstandig en draagt hij de volledige woonlasten dan wordt de aanvullende bijzondere bijstand afgestemd op de bijstandsnorm voor een 21 jarige. Het kan zijn dat een enkele jongere in de opvang verblijft en geen huur verschuldigd is. De jongerennorm wordt in dat geval aangevuld tot de inrichtingsnorm, als bedoeld in artikel 23, eerste lid PW. Is sprake van huur dan wordt aangevuld tot 50% van het WML. Is het verblijf van de jongere met een WLZ-indicatie intramuraal dan wordt de jongerennorm afgestemd op de inrichtingsnorm bedoeld in artikel 23 PW.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel