Het college stelt voor 31 december van het jaar voorafgaand aan het subsidiejaar het maximum tarief per peuterplaats (regulier en VVE) en het VVE-jaarbedrag vast.
Het college hanteert de VNG adviestabel voor de inkomensafhankelijke ouderbijdrage. Deze is gebaseerd op het maximumuurtarief van de kinderopvangtoeslag..
Het college stelt voor 31 december van het jaar voorafgaand aan het subsidiejaar het aantal uren vast dat per jaar gekoppeld is aan een peuterplaats regulier en VVE.
De grondslag voor de subsidievaststelling is het werkelijk aantal peuters en het werkelijk aantal uren dat gebruik wordt gemaakt van de peuteropvang.
Het college stelt de subsidie als volgt vast:
per bezette peuterplaats regulier voor ouders die geen recht hebben op kinderopvangtoeslag;
per bezette peuterplaats VVE voor ouders met recht op kinderopvangtoeslag;
per bezette peuterplaats VVE voor ouders die geen recht hebben op kinderopvangtoeslag:
Het college verstrekt geen subsidie voor bezette peuterplaatsen voor de uren waarvoor ouders recht hebben op kinderopvangtoeslag.
Naast de in het vijfde lid genoemde subsidiebedragen stelt het college voor doelgroeppeuters een VVE-jaarbedrag beschikbaar voor de meerkosten van doelgroeppeuters. Dit subsidiebedrag wordt verstrekt voor peuters die een peuterplaats VVE bezetten, ongeacht of de ouders recht hebben op kinderopvangtoeslag. Indien een doelgroeppeuter de peuterplaats VVE niet het gehele jaar bezet, wordt dit bedrag naar rato verstrekt.
Houders innen zelf de ouderbijdragen en zijn verantwoordelijk voor het risico van niet-betalers.
Hoofdstuk 3.
Artikel 8