Bijlage bij Beleidsregel Plussenbeleid Epe (selectie uit hoofdstuk 3 Verdieping Dynamisch Gelderland, onderdeel 3.9 Verdieping land- en tuinbouw.
Bijlage bij Beleidsregel Plussenbeleid Epe
(selectie uit hoofdstuk 3 Verdieping Dynamisch Gelderland, onderdeel 3.9 Verdieping land- en tuinbouw)
3.9.10 Plussenbeleid: verduurzaming van bedrijven in de niet-grondgebonden veehouderij
De niet-grondgebonden veehouderij, met name de varkens-, geiten-, pluimvee- en vleeskalverenbedrijven, mogen zich in Gelderland ontwikkelen op basis van het vigerend bestemmingsplan. Welke uitbreidingen van veehouderijen mogelijk zijn, wordt verder bepaald door:
de wettelijke kaders van het Rijk;
de provinciale regels voor bescherming van o.m. de kernkwaliteiten van Nationale Landschappen, Waardevol Open landschap, Nieuwe Hollandse Waterlinie, Gelderse Groene Ontwikkelingszone en het Gelders Natuurnetwerk, zoals weergegeven in de provinciale Omgevingsverordening.
In Gelderland is net als in voorgaande jaren geen nieuwvestiging toegestaan. Bedrijven of onderdelen van bedrijven (zogenoemde niet-grondgebonden takken) die uitbreiden, krijgen vanaf het moment dat gemeenten het Plussenbeleid in hun ruimtelijk beleid hebben meegenomen extra eisen opgelegd. Voor bedrijven die qua oppervlakte agrarisch bouwperceel meer dan 500 m2 groeien zijn dan een of meer 'maatschappelijke plussen' vereist. Het gaat om aanvullende maatregelen van ruimtelijke kwaliteit op het gebied van milieu, landschappelijke inpassing en/of fysieke maatregelen op het gebied van dierwelzijn. Deze maatregelen moeten plaatsvinden naast de generieke wettelijke eisen en andere voorwaarden – zoals een goede landschappelijke inpassing op basis van vigerend Gelders provinciaal en gemeentelijk beleid.
Aan uitbreidingen van niet-grondgebonden veehouderij-activiteiten worden de volgende aanvullende eisen gesteld. Hierna worden deze puntsgewijs beschreven. De richting van hoe deze zaken moeten worden ingevuld, is opgenomen onder de puntsgewijze opsomming.
Eisen aan uitbreiding vanuit Plussenbeleid
uitbreidingen zijn alleen mogelijk indien het bedrijf maatregelen van ruimtelijke kwaliteit treft op het gebied van milieu, landschappelijke inpassing of fysieke maatregelen op het gebied van dierwelzijn,
een verslag van een dialoog met zijn omgeving bij de aanvraag– d.w.z. het verzoek om een bestemmingsplanherziening, -wijziging of omgevingsvergunning - is gevoegd,
de investering in de maatschappelijke plussen € 15,- tot € 20,- bedraagt per vierkante meter bruto stalvloeroppervlakte van de uitbreiding,
de investering zoveel mogelijk plaatsvindt op het erf. Indien dit niet mogelijk is, dan vindt de investering in de omgeving van het erf of verder in de omgeving,
de gemeente maakt met de ondernemer afspraken inclusief boetebeding via een privaatrechtelijke overeenkomst, een voorwaardelijke verplichting in het bestemmingsplan of een omgevingsvergunning, Op basis daarvan werkt het bevoegd gezag een wijzigingsplan uit, een afwijkingsbesluit of herziening van het bestemmingsplan.
Toelichting spelregels Plussenbeleid
De verwachting voor de niet-grondgebonden veehouderij is dat er schaalvergroting zal plaatsvinden. Een voordeel van schaalvergroting is dat grotere bedrijven beter dan kleinere bedrijven in staat zijn om extra maatregelen te nemen die de negatieve effecten voor de leefomgeving, zoals geurhinder en fijn stof uitstoot, endotoxinen en het risico op zoönosen, verminderen.
De provincie heeft er oog voor dat het Plussenbeleid niet onnodig belemmerend moet werken. Daarom gelden deze spelregels alleen voor uitbreidingen van bedrijven die qua oppervlakte van het agrarisch bouwperceel met meer dan 500 m2 groeien. Aanvragers hebben maximaal een keer per vijf jaar de mogelijkheid om maximaal 500 m2 uit te breiden zonder Plussenbeleid. De voorwaarden om zonder Plussenbeleid uit te breiden zijn bedoeld als lastenverlichting in de uitvoering.
Gemeenten nemen de voorwaarden van het Plussenbeleid mee in hun ruimtelijk beleid. De volgende vier aspecten zijn (minimaal) aan de orde om het Plussenbeleid lokaal uit te werken:
wat is de gewenste werkwijze en dialoog rond de voorgenomen uitbreiding?
welke inhoudelijk accenten in de extra maatregelen zijn gewenst vanuit het lokale beleid, passend bij het gebied, zodat lokaal maatwerk mogelijk wordt in de geest van de Omgevingswet en Gelderse Omgevingsvisie,
duiden van de ondergrens van de extra duurzaamheidsmaatregelen (wat zijn ‘plus-investeringen’),
hoe de afspraken met de ondernemer worden gemaakt, bijvoorbeeld over de hoogte van de investering.
Deze zaken kunnen (eerst) op regionaal niveau worden uitgewerkt, zoals de Menukaart van de regio FoodValley. Een gemeente kan een dergelijk intergemeentelijk (regionaal) beleidskader benutten voor een nadere uitwerking in eigen ruimtelijk beleid.
Ad 1: de gewenste werkwijze en dialoog rond de voorgenomen uitbreiding
Van belang is vroegtijdige betrokkenheid van belanghebbenden bij de voorbereiding van plannen of besluiten. De provincie verwacht daarom van gemeenten dat zij in hun lokale beleid opnemen dat rondom een voorgenomen uitbreiding een zorgvuldige dialoog wordt gevoerd, gericht op het in kaart brengen van alle belangen, zowel die van de ondernemer als die van de belanghebbenden in de omgeving. In ieder geval dient een ondernemer bij een aanvraag tot uitbreiding een verslag van de dialoog met de omgeving te voegen.
Het is aan te raden dat een ondernemer eerst in gesprek gaat met de gemeente voor eerste check op het uitbreidingsplan. Zonder dat de gemeente zich al verbindt aan een plan, kan op eenvoudige wijze een eerste filtering op kansrijke en kansarme plannen plaatsvinden. Hoewel niet verplicht, is ook in de Omgevingswet het belang van een dergelijk vooroverleg onderstreept. De gemeente zorgt voor de afstemming van het eerste idee, ambtelijk en waar nodig bij het bestuur. Wanneer een gemeente een initiatief tot uitbreiding als kansrijk beoordeelt, is het van belang dat de ondernemer tijdig over een nog niet uitgewerkt plan in gesprek gaat met de omgeving.
De ondernemer voert een dialoog met de omgeving dat, zoals hij of zij het beste inschat, passend bij het gebied.Het is denkbaar dat een ondernemer voor zijn (directe) buren een presentatie over zijn voorgenomen uitbreiding geeft en vraagt naar de ideeën van zijn omgeving hierover. Een buurthuis kan hiervoor een goede plek zijn maar ook een rondleiding door het bedrijf van de ondernemer is een mogelijkheid. Hiervoor gelden geen wetmatigheden. Een ondernemer nodigt zijn buren uit in een omtrek van een kilometer, een andere ondernemer nodigt buren uit in een kleinere straal rond zijn bedrijf. Voor advies hierover kan de ondernemer eventueel te rade gaan bij bijvoorbeeld de gemeente. De provincie biedt ondersteuning bij de uitvoering van het Plussenbeleid en stelt informatie voor alle partijen helder beschikbaar, zoals:
beschikbaar stellen van zogenoemde ‘handreikingen’ over hoe een dialoog gevoerd kan worden;
website vullen, toegankelijk voor iedereen, met informatie: op themaniveau, met namen van contactpersonen. Dit ook in het kader van de Omgevingswet waarin kennis transparant beschikbaar wordt gesteld via digitale info.
een helpdesk voor partijen beschikbaar stellen die telefonisch kan worden geraadpleegd.
Afhankelijk van zijn toekomstvisie op het bedrijf en het gesprek met de omgeving past de ondernemer het uitbreidingsplan dan aan.
Het uitbreidingsplan wordt in procedure gebracht als de gemeente het plan en de gevoerde stappen in het proces met (onafhankelijke) partijen heeft besproken. Reden hiervan is om zorgvuldig en transparant te kunnen zijn naar alle betrokkenen over:
zijn de benodigde onderzoeken zorgvuldig opgesteld en gedeeld,
zijn belangen zorgvuldig en transparant gemaakt en gewogen,
Het bevoegd gezag maakt een afweging over wel of niet akkoord gaan met het plan. De gemeente maakt vervolgens met de ondernemer afspraken inclusief boetebeding via een privaatrechtelijke overeenkomst, een voorwaardelijke verplichting in het bestemmingsplan of een omgevingsvergunning, Op basis daarvan werkt het bevoegd gezag een wijzigingsplan uit, een afwijkingsbesluit of herziening van het bestemmingsplan.
Ad 2: welke inhoudelijk accenten in de extra maatregelen zijn gewenst met het oog op lokaal maatwerk passend bij het gebied
Het gaat bij aanvullende maatregelen niet over gangbare maatregelen die al vanuit bestaande vigerende beleidskaders nodig zijn. Aanvullende maatregelen zijn extra maatregelen ter verbetering van de ruimtelijke kwaliteit op het terrein van landschappelijke inpassing, milieu- en dierenwelzijn de groeiruimte. Op deze wijze draagt Gelderland bij aan het versnellen van duurzame ontwikkelingen in de veehouderij, zonder dat dit ten koste gaat van een verslechtering voor de kwaliteit van de leefomgeving.
Gemeenten werken vooraf in beleid uit of zij in in bepaalde gebieden lokale of regionale aandachtspunten zien voor de inhoudelijke focus van deze aanvullende maatregelen vanuit een goede ruimtelijke ordening. Deze inhoudelijke focus zal daarvandaan meer of minder sturend zijn voor de aard van de genoemde aanvullende maatregelen passend bij de aard van een gebied.
Gemeenten kunnen accenten in de inhoudelijke focus van de aanvullende maatregelen eerst in regionaal verband uitwerken. Ook kunnen gemeenten het beleid dat – nadat het regionaal is verwoord - zelf nader aanscherpen.
Conform de aankomende Nationale Omgevingsvisie en Omgevingswet verwacht de provincie dat gemeenten actief beleid voeren op aandachtspunten in hun gebied, die vanuit een goede ruimtelijke ordening lokaal en in een gebied (regionaal) aandacht verdienen. Wij geven hieronder aan om welke gebieden het gaat en wij verwachten dat gemeenten deze rol ook actief oppakken.
De provincie verwacht van gemeenten dat zij op de volgende zaken sturing geven in de uitwerking van het lokaal maatwerk om vanuit een goede ruimtelijke ordening aanvullende maatregelen te vragen:
aanvullende maatregelen voor fijn stof (onderdeel van een milieu-plus) in de regio FoodValley om de totale achtergrondbelasting te verbeteren in het gebied, de provincie geeft informatie via de Atlas Leefomgeving.
aanvullende maatregelen voor geur (onderdeel van een milieu-plus) in de regio FoodValley. Zie bijlage 29 Geurhinder als gevolg van geurachtergrondconcentratie ,
op basis van de urgentie over leegstand in het buitengebied (ruimtelijke kwaliteits-plus) in de regio Achterhoek zijn er extra maatregelen nodig die de landschappelijke kwaliteit verbeteren en sloop bevorderen.
Ad 3: ondergrens van de extra duurzaamheidsmaatregelen (wat zijn ‘plus-investeringen’)
De te nemen aanvullende duurzaamheidsmaatregelen moeten passen binnen een goede ruimtelijke ordening c.q. ruimtelijk relevant zijn. Dit vergt maatwerk en is afhankelijk van het gebied waar de uitbreiding plaatsvindt. Niet alle onderstaande maatregelen zijn in alle gevallen ruimtelijk relevant. Conform de aankomende Nationale Omgevingsvisie en Omgevingswet verwacht de provincie dat gemeenten actief beleid voeren op aandachtspunten in hun gebied.
Ruimtelijke kwaliteit
Hier gaat het om maatregelen die verder gaan dan standaard beleid. Aanvullende maatregelen zijn bijvoorbeeld extra investeringen in:
extra streekeigen beplanting,
fruitbomen,
loop- en wandelpaden,
bezichtigingsruimte,
innovatieve architectuur m.b.t. stalconcepten,
bijdrage aan een ecologische verbindingszone,
sloop van vrijkomende agrarische bebouwing.
Milieu
Hier gaat het om maatregelen die verder gaan dan standaard beleid. Aanvullende investeringen zijn bijvoorbeeld:
filtersysteem,
afzuigsysteem,
luchtwassysteem,
biofilter,
Het gaat bij aanvullende maatregelen niet op de gangbare emissie reducerende technieken of gangbare BBT. Wat gangbaar is, is o.m. omschreven in artikel 1.1 van de Wabo. Dit verschilt per diersoort, per jaar en per gebied. Voor ammoniak kan in het kader van aanvullende BBT-maatregelen bijvoorbeeld gekeken worden naar kolom C van “Besluit emissiearme huisvesting” gepubliceerd in Staatscourant d.d. 25/6/2015 waarin gewenste grenswaarden voor 2018 worden genoemd. De ondernemer moet aantonen waarom zijn maatregel voor een plus in aanmerking komt en moet dat expliciet maken. Het is aan de gemeente om deze afweging te beoordelen.
Dierwelzijn
Hier gaat het om fysieke maatregelen die verder gaan dan standaard beleid. Aanvullende maatregelen zijn bijvoorbeeld gericht op:
oppervlakte,
groepsgrootte,
stalinhoud,
voorkomen hittestress,
schuurvoorziening,
erfverharding,
hygiënesluis,
mestafvoerpunten.
Voorbeelden van maatregelen op het gebied van ruimtelijke kwaliteit, milieu en dierwelzijn zijn ook te vinden in de Maatlat Duurzame Veehouderij en het Beter Leven Keurmerk (sterrensysteem) en Milieukeur. Deze certificaatsystemen zijn waardevol omdat zij aangeven wat in algemeenheid duurzamere stalconcepten zijn. Zij geven ondernemers houvast om duurzamere stalconcepten toe te passen door fiscaal voordeel te bieden. De controle op de uitvoering van de maatregelen wordt door een onafhankelijke instantie uitgevoerd. Jaarlijks worden deze systemen met stakeholders en ondernemers besproken en vinden er actualisaties plaats.
Gangbare maatregelen en dus geen aanvullende maatregel
Bedrijfsvoeringsmaatregelen zijn niet aan te merken als een extra maatregel.
Ook de volgende zaken zijn niet aan te merken als een extra maatregel
een goede erfinpassing,
rekening houden met landschappelijke en natuurkwaliteiten,
voldoen aan milieunormen of aan normen voor dierwelzijn,
emissiereducerende milieutechnieken (gangbare BBT cf Wabo artikel 1.1) die al standaard worden voorschreven.
Als peildatum voor ‘wat een extra maatregel is’ geldt de datum van de ter inzage legging van het ontwerpbesluit door de gemeente: dat kan een ontwerp bestemmingsplan/wijzigingsplan zijn maar ook een ontwerp omgevingsvergunning.
Volksgezondheid
Gezondheid beschouwt de provincie niet als ‘plus’ maar als een basiskwaliteit. Er is voor volksgezondheid nog geen eigenstandig normenkader. Volksgezondheid wordt nu ingevuld door invulling te geven aan (rijks)normen voor milieu (fijn stof en geur), dierwelzijn en ruimtelijke kwaliteit. Er is een sterke verwevenheid tussen milieu, dierenwelzijn en gezondheid. Volksgezondheid lift mee op milieu ( fijn stof en geur), dierwelzijn en ruimtelijke kwaliteit. Als nieuwe normen over volksgezondheid meer helderheid geven dan komt dit erbij als basis en niet als ‘plus’. Provincie en partners volgen de ontwikkelingen hiervan nauwlettend. Onderstaande huidige verwevenheid tussen elementen van volksgezondheid en de drie plussen wordt in de onderstaande figuur geïllustreerd.
Verbeteringen voor de volksgezondheid worden dus in de praktijk ook via fysieke maatregelen voor milieu, dierwelzijn en ruimtelijke kwaliteit – de plus-sporen in het Plussenbeleid - gerealiseerd. Zo dragen plussen op het gebied van geur, fijn stof en NOx dragen bij aan volksgezondheid. Maatregelen voor de verbetering van dierwelzijn doen dit ook. Immers: een verkleining van de kans op het ontstaan en verspreiding van dierziekten verkleint de kans op effecten op volksgezondheid. Dit doet recht aan het gedachtengoed van de komende Omgevingswet, zorgen voor een gezonde en veilige leefomgeving.
Tegelijkertijd heeft de provincie sinds 2016 een instrument dat gericht is op het in beeld brengen van de factoren in de fysieke leefomgeving die invloed hebben gezondheid en dat daarmee een handvat kan bieden om te bepalen welke factoren de meeste kansen bieden om deze te verbeteren.
Ad 4: afspraken met de ondernemer, bijvoorbeeld over de hoogte van de investering
Gemeenten kunnen van de ondernemer extra maatregelen ter verbetering van de leefomgeving verlangen, die de ondernemer zelf ter uitvoering dient te brengen De ondernemer dient concrete voorstellen ter uitvoering van de investeringsbijdrage bij de gemeente in te dienen. Hierbij kan de ondernemer onder meer gebruik maken van de certificaatsystemen die in de Maatlat Duurzame Veehouderij, het Beter Leven Keurmerk en Milieukeur zijn beschreven.
De te nemen maatregelen zijn over het algemeen fysiek van aard. Van de gemeente wordt gevraagd hierover afspraken te maken met de ondernemer. Dit dient via een anterieure privaatrechtelijke overeenkomst te gebeuren inclusief boetebeding, en/of voorwaardelijke verplichtingen in het bestemmingsplan of middels een omgevingsvergunning.
De investeringsbijdrage
De norm voor de investeringsbijdrage is een bedrag tussen de € 15 en 20 per vierkante meter stalvloeroppervlakte van de uitbreiding. De investering vindt bij voorkeur plaats op of nabij het erf van de initiatiefnemer. Indien dit niet mogelijk is vindt de investering in de omgeving van het erf of verder in de omgeving plaats. Een uitzondering geldt voor gebieden waar de sloop van gebouwen ter verbetering van de ruimtelijke kwaliteit van de leefomgeving een belangrijk onderwerp is. Met name in de Achterhoek levert sloop van veelal vervallen gebouwen een belangrijke bijdrage aan de verbetering van de kwaliteit van de leefomgeving op. Naar de aard van de maatregel zal sloop niet op of nabij het erf zijn.
Indien in de uitwerking van het uitbreidingsplan en het gesprek tussen ondernemer en omgeving duidelijk aantoonbaar is gemaakt dat een investering van minder dan € 15 per vierkante meter stalvloeroppervlakte van de uitbreiding mogelijk is, dan wordt dit mogelijk geacht. Maatwerk kan plaatsvinden indien dat goed onderbouwd wordt. Van het normbedrag kan worden afgeweken als de aanvullende investering - gelet op het belang van de bescherming van de ruimtelijke, milieu hygiënische en gezondheidseffecten van de uitbreiding van een veehouderij - niet leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard.
Het ontwerp-bestemmingsplan moet vergezeld gaan van een berekening van de investeringsbijdrage.
Het bevoegd gezag, de gemeente, werkt beleidsregels uit die een ieder hierover vooraf duidelijkheid geven. Van de gemeenten wordt in verband met de rechtsgelijkheid gevraagd in regionaal verband dan wel met een buurtgemeente dan wel door inschakeling van een onafhankelijke deskundige (zoals de SAAB, Stichting Advisering Bouwplannen) een consistente beleidsafweging toe te passen.
Jaarlijkse evaluatie en monitoring
Het Plussenbeleid zal na 1 jaar geëvalueerd worden, onder meer om te zien of deze bedragen moeten worden aangepast. Daarbij gaat het met name om het volgende te evalueren:
welke gemeenten hebben het Plussenbeleid in het ruimtelijk beleid verwerkt en welke gemeenten hebben er ervaring mee opgedaan bij een uitbreiding;
hoe en in welke zin zijn er afspraken gemaakt over de maatregelen passend bij gebiedsaandachtspunten;
hoe is omgegaan met de berekening van de extra investering (en waarin) passend bij de situatie en het gebied – meer maatwerk;
hoe is verslag van de dialoog – met het samenspel tussen bevoegd gezag, ondernemer en omgeving – verlopen’;
hoe hebben de betrokken bevoegde gezagen de rechtmatigheid in de uitvoering vorm gegeven;
hoe ervaren de betrokken partijen de praktische uitvoerbaarheid;
hoe is de handhaving in de betreffende gemeente rond de uitvoering van de aanvullende maatregelen in het kader van het Plussenbeleid geregeld, wat is de rol van de Omgevingsdiensten;
zijn er ongewenste neveneffecten te zien vanwege de uitbreiding; bv effecten rond verkeersveiligheid of een aantoonbare aanzienlijke toename in leegstand?
Zodra in deze jaarlijkse monitor duidelijk wordt dat een of meer elementen in het Plussenbeleid niet voldoende of als er manieren zijn die naar onze mening beter kunnen werken, dan zal de provincie een voorstel doen om het Plussenbeleid nader aan te passen.
Het Plussenbeleid is van toepassing op gebieden waarvoor vanaf 2014 zoneringsmaten golden in de Omgevingsvisie en –verordening: verwevingsgebied, landbouwontwikkelingsgebied, extensiveringsgebied.
Eisen aan uitbreiding vanuit de regels voor het Ammoniakbuffergebied (Visie paragraaf 3.4.2.1)
Naast de eisen van het Plussenbeleid geldt bij alle uitbreidingen voor niet-grondgebonden veehouderij de voorwaarde van artikel 2.5.3.3 van de Omgevingsverordening (Uitbreiding niet-grondgebonden veehouderijtak: ammoniakbuffergebied). Namelijk dat in het ammoniakbuffergebied - het voormalige extensiveringsgebied - de emissie van ammoniak niet mag toenemen in de inrichting op de locatie bij de uitbreiding van de niet-grondgebonden veehouderij-activiteit. Deze maatregel is nodig omdat dit gebied een grote natuurwaarde heeft. Ze liggen allemaal in de 250 meter zone rondom zeer gevoelige natuur van het Gelders natuurnetwerk. De afgelopen 30 jaar hebben deze bedrijven strikte uitbreidingsbeperkingen ondervonden, waardoor er weinig ‘toekomstbedrijven’ meer liggen. Afschaffen van het extensiveringsbeleid zou beteken dat deze bouwblokken in principe weer beschikbaar komen voor een volwaardig bedrijf. De naastgelegen natuur krijgt zo te maken met extra stikstofdepositie waardoor de kwaliteit flink achteruit zal gaan.
Artikel 5
Bijlage
Onderdeel van RECTIFICATIE publicatie BELEIDSREGEL PLUSSENBELEID EPE d.d. 30 januari 2019, Gemeenteblad 2019, nr. 21828