3.1.Niet-studerende jongeren
Algemeen
Anders dan in het vorige uitvoeringsbesluit wordt hier niet meer het algemeen uitgangspunt gehanteerd dat voor het bepalen van de hoogte van de aanvullende bijzondere bijstand levensonderhoud wordt uitgegaan van de bijstandsnorm zoals die zou gelden wanneer de jongere 21 jaar zou zijn. Door de komst van nieuwe woonvormen met name die in het kader van Beschermd Wonen en de daarmee gepaard gaande verschillen in het doorberekenen van kosten, is een meer gedifferentieerde normering van aanvullende bijzondere bijstand op zijn plaats.
Zelfstandig wonend
Voor een (noodzakeljk) zelfstandig wonende jongere die alle woonlasten zelf moet dragen komt het erop neer dat de lage jongerennorm wordt aangevuld tot een bijstandsnorm voor een 21 jarige als bedoeld in artikel 21 PW wat neerkomt op 70% van het WML. Een zelfstandig wonende alleenstaand ouder en zelfstandig wonende gehuwden ontvangen een aanvulling tot resp. 70 % en 100% van het WML. In deze situaties wordt de bijstand dus wel nog afgestemd op de bijstandsnorm die zou gelden wanneer de jongere 21 zou zijn.
Thuisinwonend
Voor de jongere die thuis bij zijn ouder(s) inwoont, wordt de lage jongerennorm van artikel 20 PW toereikend geacht. Ook als de jongere zelf alleenstaand ouder is of als hij gehuwd is. De alleenstaand ouder kan nog aanspraak maken op de zogenoemde ALO-kop, een aanvulling binnen het kindgebonden budget, die door de belastingsdienst wordt verstrekt.
Beschermd Wonen
In het nieuwe uitvoeringskader worden meer specifieke woonsituaties onderscheiden zoals de verschillende vormen van Beschermd Wonen. Ook hier geldt dat de (aanvullende) bijzondere bijstand levensonderhoud wordt afgestemd op kosten die de jongere daadwerkelijk heeft. Om dit nader te bepalen wordt allereerst gekeken naar het indicatiebesluit en het daarbij behorend arrangement. Is de jongere woonlasten (waaronder huur) verschuldigd dan wordt afgestemd op de volledige bijstandsnorm voor een 21 jarige.
Verblijft de jongere met een Beschermd Wonen indicatie in de opvang of semi-muraal en is hij geen huur verschuldigd dan wordt de jongerennorm aangevuld tot met aanvullende bijzondere bijstand tot de inrichtingsnorm bedoeld in artikel 23, eerste lid PW. Is wel huur verschuldigd dan wordt aangevuld tot 50% van het WML.
Is sprake van intramuraal verblijf (in de regel bij de variant Beschermd Wonen basis en licht) dan wordt de bijstand afgestemd op de inrichtingsnorm zoals vermeld in artikel 23 PW. In dat geval gaat het overigens niet om een aanvulling van de lage jongerennorm. Bij verblijf in een inrichting bestaat immers voor 18 t/m 20 jarigen geen recht op algemene bijstand (artikel 13, tweede lid PW). De bijstand is dan volledig bijzondere bijstand die overigens wel op de ouder(s) kan worden verhaald.
WLZ thuis en WLZ inrichting
Het kan ook voorkomen dat een jongere op basis van een WLZ-indicatie zorg thuis ontvangt. Woont de jongere thuis in dan ontvangt de jongere de bijstandsnorm vermeld in artikel 20 PW en volgt er geen aanvullende bijzondere bijstand. Heeft de jongere een eigen woonruimte, verblijft hij in de opvang of is hij semi-muraal gehuisvest dan wordt de hoogte van de bijstand afgestemd op de kosten die daaraan verbonden zijn. Indicatiebesluit en het daarbij behorend arrangement moeten hier het nodige inzicht bieden. Eigenlijk kunnen hier net als bij Beschermd Wonen dezelfde varianten worden onderscheiden. Woont de jongere zelfstandig en betaalt hij alle woonlasten dan wordt de jongerennorm aangevuld tot de bijstandsnorm voor een 21 jarige.
Is sprake van verblijf in de opvang of is het verblijf semi-muraal en wordt geen huur betaald dan kan de aanvullende bijzondere bijstand ook hier worden afgestemd op de inrichtingsnorm bedoeld in artikel 23, eerste lid PW.
Is wel huur verschuldigd dan geldt een aanvulling tot 50% van het WML.
Verblijft de jongere intramuraal dan wordt uitsluitend bijzondere bijstand verstrekt. Deze wordt afgestemd op de inrichtingsnorm zoals vermeld in artikel 23 PW.
Artikel 3.2. Studerende jongeren
Er kunnen zich ook situaties voordoen waarbij moet worden bezien of aan een studerende jongere aanvullende bijzondere bijstand voor levensonderhoud moet worden verstrekt. Het gaat wel uitsluitend om jongeren die een tegemoetkoming scholieren ingevolgde de Wtos ontvangen en niet om jongeren die studiefinanciering krijgen of daarop aanspraak kunnen maken. De Wsf is voor deze laatste groep een passende en toereikende voorliggende voorziening. In geval van studiefinanciering waarbij ouders weigerachtig zijn te betalen, kan er door de jongere een beroep worden gedaan op specifieke regelgeving binnen de Wsf (hardheidsclausule). De Wtos tegemoetkoming scholieren kan gelet op de bedragen niet als een passende en toereikende voorliggende voorziening worden beschouwd.
Wil een studerende jongere die Wtos ontvangt aanspraak maken op aanvullende bijzondere bijstand dan gelden dezelfde regels zoals hiervoor vermeld voor de niet studerende jongeren. Is de noodzaak absoluut aanwezig dan wordt de aanvullende bijzondere bijstand afgestemd op de daadwerkelijke kosten waarmee de jongere geconfronteerd wordt. Het enige verschil is dat de basistoelage Wtos tegemoetkoming scholieren waarop de jongere aanspraak kan maken op de te ontvangen algemene en eventueel aanvullende bijzondere bijstand in mindering wordt gebracht.
De participatieverplichtingen blijven ook voor deze jongeren onverkort van toepassing, waarbij indien nodig maatwerk wordt geleverd.
Artikel 4.Overige bepalingen
Jongeren in gesubsidieerde baan
Het aanspraak kunnen maken op aanvullende bijzondere bijstand voor levensonderhoud beperkt zich niet tot jongeren die algemene bijstand ontvangen of een tegemoetkoming in het kader van de Wtos.
Het kan in een enkel geval ook gaan om een jongere die vanuit de PW in een gesubsidieerde baan is geplaatst of om een jongere die inkomsten heeft die net boven de lage uitkeringsnorm van de PW liggen. Mits weer sprake is van bijzondere omstandigheden kan ook deze jongere in aanmerking worden gebracht voor aanvullende bijzondere bijstand voor levensonderhoud. Het zal hier overwegend gaan om de zelfstandig gehuisveste jongere die huur verschuldigd is.
Artikel 3. Categorieën