Naar hoofdinhoud
Er geldt een overgangsregeling van 1 maart 2019 tot 1 september 2019. Jongeren die gelet op hun kosten aanspraak kunnen maken op een hoger normbedrag zullen evt. met terugwerkende kracht tot 1 maart 2019 die hogere norm gaan ontvangen. Jongeren waarvan het normbedrag, eveneens gezien hun kosten, naar beneden moet worden bijgesteld zullen het lager normbedrag per 1 september 2019 gaan ontvangen. Aldus besloten door: burgemeester en wethouders van de gemeente Eijsden-Margraten in de collegevergadering van 8 januari 2019 de secretaris, M.F.M.E. Severeijns de burgemeester, D.A.M. Akkermans burgemeester en wethouders van de gemeente Gulpen-Wittem in de collegevergadering van 5 februari 2019 de secretaris, J.G.A. Kusters de burgemeester, N.H.C. Ramaekers-Rutjens burgemeester en wethouders van de gemeente Maastricht in de collegevergadering van 22 januari 2019 de secretaris, P.J. Buijtels de burgemeester, J.M. Penn-te Strake burgemeester en wethouders van de gemeente Meerssen in de collegevergadering van 29 januari 2019 de secretaris, J.J.M. Eurlings de burgemeester, M.A.H. Clermonts-Aretz burgemeester en wethouders van de gemeente Vaals in de collegevergadering van 8 januari 2019 de secretaris, J.H.M.J. Bertram de burgemeester, R.L.T. van Loo burgemeester en wethouders van de gemeente Valkenburg aan de Geul in de collegevergadering van 12 februari 2019 de secretaris, L.T.J.M. Bongarts de burgemeester, J.J. Schrijen TOELICHTING Algemeen De PW kent lagere bijstandsnormen voor jongeren. In het Uitvoeringsbesluit aanvullende bijzondere bijstand levensonderhoud jongeren 18 t/m 20 jaar Participatiewet Maastricht Heuvelland 2019 e.v. is vastgelegd dat Sociale Zaken Maastricht Heuvelland in een aantal situaties die normen aanvult. Bijvoorbeeld wanneer jongeren noodgedwongen zelfstandig moeten wonen of moeten verblijven in de maatschappelijke opvang en geen beroep kunnen doen op een financiële bijdrage van hun ouders. Hierbij kan ook worden gedacht aan de doelgroep jonge statushouders. Een groep jongeren die de afgelopen jaren overigens fors is toegenomen. Verder doen, door de aanscherping van de Wajong en de komst van de Participatiewet, ook steeds meer jongeren met een beperking een beroep op bijstand. Sommige van deze jongeren verblijven op basis van een indicatiebesluit in een instelling maar het merendeel woont -eveneens daartoe geïndiceerd- onder begeleiding semi-muraal of zelfstandig. In die gevallen moet er meestal huur worden betaald of draagt de jongere de volledige woonlasten zelf. Deze jongeren worden dan geconfronteerd met hogere bestaanskosten. Kunnen ouders niet bijdragen dan zal ook hier een aanvulling via de bijzondere bijstand moeten volgen. Ook wanneer jongeren géén bijstand ontvangen maar in het kader van de Wtos een lage tegemoetkoming (scholieren) krijgen wordt, indien daartoe noodzaak bestaat, aanvullende bijzondere bijstand verleend. Anders dan in het vorige uitvoeringsbesluit wordt de hoogte van de bijstand niet zonder meer afgestemd op die van een 21 jarige die in dezelfde omstandigheden verkeert maar wordt vooral afgestemd op de daadwerkelijke kosten van levensonderhoud. Met name eerdergenoemde ontwikkelingen rondom jongeren met een beperking vormen aanleiding het uitvoeringsbesluit meer op deze doelgroep in te richten. De aanpassingen komen er vooral op neer dat afhankelijk van de onderscheiden woonsituaties en daaraan verbonden kosten een heldere bijstandsnorm wordt bepaald. In de navolgende artikelen komt eerst het bepalen van de noodzakelijkheid voor verlening van de aanvullende bijzondere bijstand voor levensonderhoud aan bod. Daarna wordt ingegaan op de verschillende situaties waarin de jongeren zich kunnen bevinden en op de vraag of daar dan al dan niet (aanvullende) bijzondere bijstand bij hoort. Artikelsgewijs Artikel 1. Vaststelling noodzakelijkheid Onderhoudsplicht ouders Uitgangspunt is en blijft dat de primaire verantwoordelijkheid voor het levensonderhoud van jongeren t/m 20 jaar bij de ouders ligt. Bij de beoordeling van de bijzondere omstandigheden moet, gelet op het bepaalde in artikel 12 PW, daarom altijd eerst worden nagegaan of de jongere een beroep kan doen op een bijdrage in zijn bestaanskosten door de ouder(s). Hierbij moet ook naar de mogelijkheden van verhaal worden gekeken. Naleving arbeidsverplichtingen Van een jongere van 18 t/m 20 jaar kan in de regel worden verwacht dat hij zelf in zijn levensonderhoud voorziet. Daarom geldt zowel voor studerende als niet-studerende jongeren die een beroep doen op artikel 12 PW dat strikt wordt toegezien op de naleving van de arbeids- en re-integratieverplichtingen. Gaat het om een studerende jongere dan moet worden bezien in hoeverre de jongere naast zijn studie ter aanvulling op de tegemoetkoming scholieren inkomsten kan verwerven door het verrichten van betaalde arbeid. Verder moet duidelijk zijn dat de jongere nog geen startkwalificatie heeft. Voor jongeren met een startkwalificatie geldt immers de kortste weg naar betaald werk. Voor de groep jongeren die via een indicatiestelling in het kader van de Jeugdwet of de WMO in een inrichting verblijft of zelfstandig gehuisvest is, zijn de arbeids- en re-integratieverplichtingen natuurlijk veel meer een vorm van maatwerk. Noodzakelijkheid van zelfstandig wonen Bij de vaststelling van de noodzaak voor (aanvullende) bijzondere bijstand dient niet enkel de evt. ouderbijdrage in aanmerking te worden genomen. Ook de noodzaak van bijvoorbeeld het uitwonend zijn is een item. Immers bij het zelfstandig wonen zijn de bijstandskosten hoger dan bij het inwonend zijn. Vandaar dat deze noodzakelijkheidsafweging relevant is. In principe dient deze afweging steeds plaats te vinden op basis van de individuele omstandigheden van de jongere. Maatwerk dus. Echter in een aantal gevallen -weergegeven in dit artikel- kan de noodzaak van het zelfstandig wonen zonder meer aanwezig worden geacht. Let op, het gaat hier niet om een limitatieve opsomming van omstandigheden. Het kan ook zijn dat er zich nog andere bijzondere omstandigheden voordoen die weer tot de conclusie leiden dat er géén noodzaak bestaat voor (aanvullende) bijzondere bijstand. Artikel 2.Samenloop aanvullende bijzondere bijstand voor levensonderhoud en individuele studietoeslag Het valt niet uit te sluiten dat een studerende jongere met Wtos die tevens een arbeidsbeperking of medische urenbeperking heeft aanspraak kan maken op zowel (aanvullende) bijzondere bijstand voor levensonderhoud alsook de individuele studietoeslag. Juist omdat deze toeslag een specifiek inkomensinstrument is voor jongeren met een arbeidsbeperking wordt hieraan voorrang gegeven, tenzij de voor de jongere toepasselijke studietoeslag leidt tot een lager inkomen dan het inkomen dat hij zou hebben gehad wanneer de Wtos zou zijn aangevuld met bijzondere bijstand voor levensonderhoud. Uiteraard moet daartoe dan wel de noodzaak bestaan. Het kan in ieder geval niet zo zijn dat zowel een individuele studietoeslag wordt toegekend alsook (aanvullende) bijzondere bijstand voor levensonderhoud.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel