Naar hoofdinhoud
In dit statuut wordt verstaan onder: Begrotingstotaal: Het totaal van de jaarbegroting Cashmanagement: De activiteiten van Treasury gericht op saldoregulatie, liquiditeitsbeheer, geldstromenbeheer en bankrelatiebeheer, waarbij het kostenefficiënt beheren van de kaspositie centraal staat. Commercial paper: Een verhandelbare schuldbekentenis (lening) die is uitgegeven door een bedrijf of een andere niet-kredietinstelling. Het betreft een schuldpositie die men aangaat met een bank of een andere financiële instantie, waar men geen zekerheden tegenover stelt. Daggeld: Opname of uitzetting van geldmiddelen voor zeer korte termijn (van een dag tot maximaal een week), ook wel call-geld genoemd Decentrale overheden: Provincies, gemeenten, waterschappen en gemeenschappelijke regelingen in de vorm van een openbaar lichaam. Deposito: Een door de bank van de gemeente opgenomen geldlening met een looptijd van minimaal drie dagen tegen een vast rentepercentage. Derivaten: Financiële instrumenten die hun bestaan ontlenen aan een bepaalde onderliggende waarde. De onderliggende waarden kunnen financiële producten, zoals leningen of obligaties, zijn. Derivaten worden onder andere gebruikt om renterisico’s te sturen en financieringskosten te minimaliseren. Drempelbedrag: Een bedrag dat uitgezonderd is van de verplichting om in ’s-Rijks schatkist te worden aangehouden. Dit bedrag wordt bepaald op basis van het percentage van het begrotingstotaal van het openbaar lichaam. EER: Europese Economische Ruimte: alle landen van de EU, aangevuld met Liechtenstein, Noorwegen en IJsland. Financiering: Het aantrekken van benodigde financiële middelen voor dekking van de vermogensbehoefte. Deze middelen kunnen uit zowel eigen vermogen als vreemd vermogen bestaan. Geldstromenbeheer: Al die activiteiten die nodig zijn om liquiditeiten te transfereren zowel binnen de organisatie zelf als tussen de organisatie en derden (betalingsverkeer). Interest (of rente): De vergoeding die in rekening wordt gebracht voor het tijdelijk beschikbaar stellen van liquiditeiten (het lenen), De interest wordt meestal uitgedrukt in een percentage van de hoofdsom op jaarbasis. Intern liquiditeitsrisico: De risico’s van mogelijke wijzigingen in de liquiditeitsplanning en meerjaren investeringsplanning waardoor financiële resultaten kunnen afwijken van de verwachtingen. Kasgeldlening: Een lening met een looptijd van maximaal een jaar. Kasgeldlimiet: Een bedrag op basis van de Wet Fido ter grootte van een percentage van het begrotingstotaal van de gemeente bij aanvang van het jaar. Koersrisico: Het risico op waarde vermindering van financiële activa van de organisatie door negatieve koersontwikkelingen. Kredietrisico: Het risico op een waardedaling van een vordering ten gevolge van het niet (tijdig) na kunnen komen van de verplichtingen door de tegenpartij als gevolg van insolventie of deficit. Limiet: Een type richtlijn die de (uiterste) grens aangeeft van een bepaalde handeling, verantwoordelijkheid en/of bevoegdheid. Liquiditeitenbeheer: Het aantrekken en uitzetten van middelen voor een periode tot één jaar. Liquiditeitsplanning: Een gestructureerd overzicht van de toekomstige inkomende en uitgaande geldstromen ingedeeld per tijdseenheid. Liquiditeitspositie: Het verschil tussen inkomsten en uitgaven, uitgedrukt in feitelijke geldstromen. Het omvat het totaal van de rekening-courantsaldi, kasgeld- en daggeldleningen (opgenomen en uitgezette gelden) Obligatie: Verhandelbare schuldtitel als onderdeel van een obligatielening. Onderhandse lening: Een lening waarbij de voorwaarden in onderling overleg met de geldverstrekker worden overeengekomen, een dergelijke lening is moeilijk verhandelbaar. Projectfinanciering: Het aantrekken van een lange termijn financiering ten behoeve van een specifiek, zelfstandig project, dit in tegenstelling tot totaalfinanciering. Projectfinanciering wordt vaak gebruikt bij publiek-private samenwerkingen voor de financiering van projecten voor gebiedsontwikkeling, infrastructuur, woningbouw en uiteenlopende openbare voorzieningen. Prudent: Zorgvuldigheid en behoedzaamheid van optreden bij het uitzetten van middelden en het afsluiten van derivaten, tot uitdrukking komend in een voldoende kredietwaardigheid van de tegenpartij en een beperkt marktrisico van de uitzetting, derivaten daaronder begrepen. Publieke taak: Een gemeente kan/mag iets tot de publieke taak rekenen wanneer het particulier bedrijfsleven niet of tegen bijzonder hoge kosten in een voorziening voorziet, waardoor deze (voor velen) niet bereikbaar is. In de Wet Fido is geen verdere inkadering van het begrip publieke taak gemaakt. Rating: Inschatting van de kredietwaardigheid van een financiële onderneming of een land, bepaald door een erkend ratingbureau. Rekening courant: Lopende rekening bij een bank. Relatiebeheer: Het onderhouden van relaties met partijen die actief zijn op de financiële markten, waaronder banken en geldmakelaars. Renterisico: Het risico dat als gevolg van wijzigingen in het rentepercentage de (financiële) resultaten ongewenst veranderen Renterisiconorm: Een bedrag bij de aanvang van het jaar op basis van een ingevolge de Wet Fido gefixeerd percentage van het begrotingstotaal van de gemeente dat bij herfinanciering niet mag worden overschreden. Rentetypisch Looptijd: Het tijdsinterval gedurende de looptijd van een geldlening, waarin op basis van de voorwaarden van de geldlening sprake is van een door de verstrekker van de geldlening niet beïnvloedbare, constante rentevergoeding. Rentevisie: Toekomstverwachting over de rente-ontwikkeling, uitgaande van een aantal rentebepalende factoren, op basis waarvan een financierings- en beleggingsbeleid wordt gevoerd. Schatkistbankieren: De verplichting voor decentrale overheden om hun overtollige liquide middelen aan te houden bij het ministerie van Financiën. 0%-solvabiliteisratio: Status die door een bancaire toezichthouder in een lidstaat van de EER aan het schuldpapier van een instelling kan worden toegerekend. Deze status houdt in dat een bank voor een desbetreffend papier geen (0%) reserves hoeft aan te houden. Toezichthouder: Het bestuursorgaan dat op grond van wettelijke bepaling is belast met het toezicht op de begroting van een openbaar lichaam. Totaalfinanciering: Bij totaalfinanciering wordt pas geleend als alle ‘bankrekeningen’ een negatief saldo vertonen. Hierdoor zijn de rentekosten zo laag mogelijk en wordt de kas-geldlimiet optimaal benut. Bij de methodiek totaalfinanciering zijn leningen niet gekoppeld aan specifieke uitgaven of investeringen, maar aan het saldo van wat de gemeente in totaal uitgeeft en binnenkrijgt. Treasuryfunctie: De treasuryfunctie omvat alle activiteiten die zich richten op het besturen en beheersen van, het verantwoorden over en het toezicht houden op de financiële vermogenswaarden, de financiële stromen, de financiële posities en de hieraan verbonden risico’s. Tussenpersonen: Tussenpersonen in het kader van treasury hebben een intermediair functie bij het afsluiten van financiële transacties Uitzetting: Het tijdelijk toevertrouwen van liquiditeiten aan derden tegen vooraf overeengekomen condities en bedingen. Kortlopende uitzettingen hebben betrekking op een periode tot één jaar en langlopende uitzettingen hebben betrekking op een periode van één jaar of langer. Valutarisico: Het gevaar dat op een bepaald moment de waarde van de vreemde valutastromen uitgedrukt in euro’s afwijkt van hetgeen verwacht werd op het beslissingsmoment. Waarborgfondsen Waarborgfondsen zijn vaak stichtingen die garant staan voor leningen die kredietverstrekkers hebben uitstaan bij kredietontvangers zoals sportverenigingen en woningcorporaties. Zij begeleiden en beoordelen ook de aanvraag van een vereniging of stichting.

Rechtspraak bij dit artikel