1. Voor (onder)mandatering wordt een onderscheid gemaakt in primaire systemen, programmalijnen en bedrijfsvoeringsystemen als personeel, financiën, organisatie en informatie.
2. De mandaatverlener kan uitsluitend doormandateren binnen de aan hem verleende bevoegdheden en verplichtingen.
3. (Door)mandatering vindt plaats door middel van mandaatlijsten, waarbij het navolgende hiërarchische proces van toepassing is:
a. binnen de primaire systemen en bedrijfsvoeringsystemen:
besluit college van burgemeester en wethouders respectievelijk burgemeester, gemeentesecretaris/ algemeen directeur, adjunct directeur, hoofd uitvoering, manager en overige medewerkers.
b. binnen de programmalijnen:
besluit college van burgemeester en wethouders respectievelijk burgemeester, gemeentesecretaris/ algemeen directeur, programmamanager.
4. Bij het proces voor mandatering gelden als randvoorwaarden dat:
a. de mandaatverlener bepaalt in hoeverre doorgemandateerd kan worden;
b. de reeds opgelegde beperkingen en voorwaarden ook gelden voor doormandatering;
c. de bepalingen van deze mandaatregeling in acht worden genomen.