Bij de stedenbouwkundige beoordeling van kruimelgevallen is het van belang na te gaan in hoeverre de beoogde ontwikkeling past in het straat- en bebouwingsbeeld. Bij voorkeur ontstaat een meerwaarde aan ruimtelijke kwaliteit. Zo niet: in welke mate is de ontwikkeling neutraal of doet zij afbreek aan ruimtelijke kwaliteit?
De volgende algemene basisprincipes komen daarbij aan de orde.
Breng de positie ten opzichte van de omgeving in beeld. Hoe is de omgeving opgezet, wat zijn de kenmerken ervan en is er eventueel sprake van een specifieke situatie (bijv. hoekperceel, afwijkende kavelrichting)?
Bepaal bij “bouwen” de volgende ruimtelijke kenmerken van de omgeving en in welke mate deze “vast” of “variabel” zijn:
Rooilijn.
Afstanden (tot perceelsgrenzen en andere bebouwing).
Bouwhoogte.
Bouwmassa.
Kapvorm/-kaphelling.
Ensembles/ritmiek/herhaling van bebouwing.
Deze stap brengt de ontwerpvrijheid in beeld. Zijn er veel vaste waarden in de omgeving, dan ligt het voor de hand hierbij aan te sluiten. Tenzij er sprake is van een specifiek situatie die een verbijzondering/afwijking daarvan rechtvaardigt.
Behoud in elke situatie in ieder geval:
Onderscheid tussen hoofd- en bijgebouw.
Zichtlijnen.
Gebiedskarakteristiek (zie ruimtelijke zonering vigerende bestemmingsplannen).
De ervaring leert dat er twee kruimelsituaties zijn die veel voorkomen: de dakopbouw en het realiseren van bijbehorende bouwwerken op een hoekperceel. Hiervoor nog enkele aanvullende basisprincipes:
Ontwerpen in samenhang met het hoofdvolume van het bouwwerk.
Aansluiten op de bestaande situatie op het eigen perceel en de directe omgeving, zowel in beeld (trendsetters) als fysiek.
Indeling gevel/kozijnen uitlijnen/afstemmen bestaande gevel/kozijnen.
Materiaal, kleur en detaillering samenhangend (ook met bestaand).
Voorts
bij dakopbouw:
Aangebouwde uitbreidingen van het hoofdgebouw hebben een nok die minimaal twee pannen lager is dan het hoofdvolume.
Dakhelling afstemmen op bestaande dakhelling.
bij hoekpercelen:
Aangrenzende voorgevelrooilijnen niet overschrijden.
Op basis hiervan zal het in de meeste gevallen mogelijk zijn de stedenbouwkundige afweging te maken. Wanneer niet duidelijk is of wel of niet voldaan kan worden aan bovengenoemde voorwaarden, wordt het (bouw)plan altijd ter beoordeling voorgelegd aan een stedenbouwkundige.
Artikel 7
STEDENBOUWKUNDIGE BASISPRINCIPES
Onderdeel van Besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente West Betuwe houdende regels omtrent het Kruimelbeleid