Uitgangspunt van de Wmo 2015 is dat de cliënt een maatwerkvoorziening “in natura” krijgt aangeboden, maar er tevens op moet worden gewezen dat dit desgewenst als persoonsgebonden budget (pgb) kan worden verstrekt. De wet verbindt daar echter wel voorwaarden aan (artikel 2.3.6 Wmo 2015):
De inwoner moet in staat te zijn om de aan het pgb verbonden taken (o.a. het sluiten van overeenkomsten en het aansturen en aanspreken van de hulpverlener op zijn verplichtingen) op een verantwoorde wijze uit te voeren;
De inwoner zich gemotiveerd op het standpunt stelt dat de maatwerkvoorziening als pgb wenst verstrekt te krijgen;
Naar het oordeel van het college is gewaarborgd dat de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen van goede kwaliteit zijn. Dit dient vooraf getoetst te worden door bijvoorbeeld een persoonlijk budgetplan, op welke wijze de ondersteuning bijdraagt aan zijn participatie en zelfredzaamheid en hoe de kwaliteit is gewaarborgd;
We vinden het belangrijk dat cliënten zoveel mogelijk zelf de regie voeren over de ondersteuning die ze wordt geboden. Daarom is in de wet bepaald dat een maatwerkvoorziening kan worden verstrekt in de vorm van een pgb. Op basis van onze Verordening (zie artikelen 7 t/m 11 van de Verordening) kan deze pgb worden aangewend voor verschillende vormen van ondersteuning en voor verschillende typen hulpverleners.
Het zorgteam Koggenland zal in haar onderzoek moeten beoordelen of het verantwoord is om een pgb te verstrekken. Dit hangt af van de mogelijkheden van de cliënt om (zelf of met behulp van anderen) de daaraan verbonden taken goed uit te voeren. Denk daarbij aan alle contractuele, administratieve en personele taken ten aanzien van de ondersteunende partij. Hierbij dient te worden opgemerkt dat het uitdrukkelijk niet de bedoeling is dat de zorgverlenende partij ook het pgb beheert of de inwoner daarbij assisteert. Er is dan immers sprake van een tegenstrijdig belang.
Is het in de optiek van het Zorgteam Koggenland niet verantwoord om de zorg in de vorm van een pgb te verstrekken, dan zal dit geweigerd worden.
Ook mogen de kosten van een pgb in principe niet hoger zijn dan een vergelijkbaar aanbod in natura. Een pgb zal niet worden geweigerd als de cliënt bereid is om de meerkosten voor eigen rekening te nemen. Tevens moet het Zorgteam Koggenland onderzoeken of de inwoner met het pgb de zorg voor hetzelfde tarief als de gemeente kan inkopen.
Het zorgteam Koggenland zal er ook op moeten toezien dat de kwaliteit van de zorg middels een pgb niet afwijkt van de ondersteuning die in natura kan worden georganiseerd. Administratief is dit geborgd door de nieuwe manier van uitbetalen via zogenaamde trekkingsrechten: niet de cliënt maar de ondersteuner ontvangt de betalingen van de Sociale Verzekeringsbank (SVB).
Daarnaast zal het zorgteam Koggenland ook bekend moeten zijn met deze ondersteuner en zijn aanbod. Bij de start van elke maatwerkvoorziening zal een kwaliteitstoets worden uitgevoerd. Een onderdeel van deze kwaliteitstoets is dat de aanbieder een recent VOG (niet ouder dan twee jaar) moet kunnen overhandigen. Tevens wordt gevraagd aan welke doelen gewerkt gaat worden.
Een pgb wordt voor maximaal één jaar toegekend. Mocht er nog langer zorg nodig zijn, kan een nieuwe aanvraag worden gedaan. Op dat moment zal worden geëvalueerd hoe het gaat; aan welke doelen is gewerkt en welke zijn wel of niet behaald? Waarom zijn ze nog niet behaald? Is er sprake van een juiste match tussen de inwoner en de zorgverlener? Is de inwoner tevreden? Is er misschien iets anders nodig om de doelen wel te behalen en daarmee de hulpvraag van de inwoner te beantwoorden? Kan de inwoner het pgb goed beheren? De noodzaak voor de verlenging wordt onderzocht.
De hoogte van de pgb hangt af van de redelijke kostprijs die mag worden betaald voor de betreffende ondersteuning en welke kostprijs er in het zelfde geval zou worden betaald bij zorg in natura. Dit wordt beoordeeld aan de hand van de mate waarin de aanbieder in staat is deskundige ondersteuning aan te bieden en de kosten die daar tegenover staan. Dit is niet altijd makkelijk te beoordelen maar hangt grotendeels samen met:
Aantoonbare deskundigheid die specifiek noodzakelijk is voor de in te zetten ondersteuning. Dit kan bijvoorbeeld worden beoordeeld door referenties en opleidingen.
De mate waarin de aanbieder investeert in de beschikbaarheid en expertise van bekwame ondersteuners. Dit kan bijvoorbeeld worden beoordeeld aan de hand van een opleidingsplan, een beschrijving van de gehanteerde werkwijze, inzicht in de personeelsopbouw of de manier waarop de administratie is ingericht en de aansprakelijkheid is geregeld.
We gaan er vanuit dat instellingen (waaronder ook georganiseerde zzp-netwerken) hiervoor meer kosten moeten maken dan een aanbieder die volledig zelfstandig werkt. Daarom zal het pgb bij een volledig zelfstandig werkende zorgaanbieder ook lager kunnen worden vastgesteld dan het maximale tarief (zie artikel 8 t/m 11 van de verordening). Mocht in een uitzonderlijk geval toch sprake zijn van ondersteuning vanuit het eigen netwerk, dan geldt het daarvoor geldende tarief in de Wet langdurige zorg (Wlz) als maximaal.
De hoogte van het pgb kan anders worden vastgesteld als er ook reiskosten moeten worden vergoed. Dit dient echter vooraf te worden beoordeeld en geldt in principe als uitzondering..
Hoofdstuk 2
Artikel 2.5