Uitgangspunt van de Wmo 2015 is de wettekst, welke spreekt over zelfredzaamheid en participatie. Om de uitvoering ervan echter werkbaar te maken, zijn de begrippen zelfredzaamheid en participatie ook nu weer uitgewerkt in concrete resultaatsvelden. Deze geven meer richting aan de wettelijke begrippen. Ze bieden concreet te behalen doelen wat betreft het bieden van maatschappelijke ondersteuning en voor de uitvoeringspraktijk gelden ze als houvast. De verschillende resultaatvelden gerangschikt op basis van de levensdomeinen van de zelfredzaamheidsmatrix, al zijn deze omwille van de overzichtelijkheid gecomprimeerd tot vier thema’s: Dagelijks thuis, Relaties, Gezondheid en Meedoen. Elk thema kent drie resultaatvelden en zijn gecodeerd met de hoofdletter van het thema en het cijfer 1,2 of 3. Dus D1, D2 en D3 zijn de resultaatvelden die horen bij het thema Dagelijks leven. De ‘oude’ resultaatvelden onderscheiden zich van de ‘nieuwe’ doordat ze erg praktisch van aard zijn. De resultaatvelden D1 en R1 zijn goed beschouwd echter wel vormen van begeleiding, terwijl D3 en M1 fysieke voorzieningen betreft.
Uit de vorige Wmo zijn 4 resultaatvelden overgenomen 5 Dit is een samenvoeging van een paar eerder afzonderlijk gehanteerde resultaten: een schoon en leefbaar huis, het kunnen beschikken over goederen voor primaire levensbehoeften, het kunnen beschikken over schone, draagbare en doelmatige kleding en thuis zorgen voor kinderen die tot het gezin behoren. :
D1 Een gestructureerd en zorgzaam huishouden voeren.
D3 Wonen in een geschikt huis.
M1 Zich kunnen verplaatsen 6 Dit is een samenvoeging van een paar afzonderlijk gehanteerde resultaten: zich in en om het huis kunnen verplaatsen en zich lokaal kunnen verplaatsen. .
R1 Sociale contacten onderhouden en deelnemen aan activiteiten.
Daarnaast introduceren we 8 nieuwe resultaatvelden voor de nieuwe begeleidingstaken:
D2 Stabiliseren van de dagelijkse situatie om terugval te voorkomen.
R2 Omgaan met beperkingen in de sociale redzaamheid en zelfregie.
R3 Zich met behulp van anderen handhaven in het dagelijks leven.
M2 Zich ontwikkelen in het kader van wonen, sociale activering en zinvolle dagbesteding.
M3 Herstel van problematiek en bevordering van maatschappelijke integratie.
G1 Verlichting van het sociaal isolement en de zorg thuis.
G2 Stabiel functioneren om achteruitgang in de vaardigheden te voorkomen.
G3 Aanboren van competenties om een grotere zorgvraag te voorkomen
Hoofdstuk 4
Artikel 4.2