Naar hoofdinhoud

Artikel 6.2

Last onder bestuursdwang

Onderdeel van Beleidsregels aanpak woonoverlast gemeente Bergeijk

De burgemeester is op grond van artikel 151d (jo. artikel 125) Gemeentewet en artikel 2:79, tweede lid, APV 2018 bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang, indien het in het eerste lid bepaalde wordt overtreden. Omdat de bevoegdheid tot het opleggen van een last onder bestuursdwang aan de burgemeester is verleend, kan de burgemeester er op grond van artikel 5:32 Algemene wet bestuursrecht voor kiezen om in plaats daarvan een last onder dwangsom op te leggen. Indien de burgemeester besluit gebruik te maken van zijn bevoegdheid, legt hij een gedragsaanwijzing op in de vorm van een last onder dwangsom, dan wel een last onder bestuursdwang. De gedragsaanwijzing wordt pas ingezet wanneer de ernstige en herhaaldelijke hinder redelijkerwijs niet op een andere geschikte wijze kan worden tegengegaan. In een dergelijke gedragsaanwijzing staat welke acties de betrokkene moet ondernemen of juist moet nalaten om te voorkomen dat hij de dwangsom verbeurt of dat bestuursdwang wordt uitgevoerd. Voordat een last wordt opgelegd, wordt eerst een waarschuwing gegeven in het kader van het voorzienbaarheid vereiste en van de subsidiariteit. Hierin wordt ook een redelijke termijn gesteld waarbinnen de overlastgever moet stoppen met zijn gedrag, of welke andere stappen moeten worden ondernomen. Voor het bepalen van een redelijke termijn wordt zowel gekeken naar het belang van de overlastgever (mogelijkheid om overlast te beëindigen), alsmede naar de belasting voor zijn omgeving Mochten de in de waarschuwing genoemde gedragingen niet stoppen of afnemen binnen een gestelde termijn, dan wordt — spoedeisende bestuursdwang onverlet gelaten — het voornemen om een last op te leggen kenbaar gemaakt aan de betrokkene. De betrokkene wordt vervolgens in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze over het voornemen kenbaar te maken. De aangevoerde feiten of omstandigheden kunnen al dan niet aanleiding geven om af te zien van het opleggen van een last of om een andere last te geven. Het opleggen van een last is een besluit als bedoeld in artikel 1:3 Algemene wet bestuursrecht. Dit houdt in dat de algemene procedures uit die wet moeten worden gevolgd. Nadat het voornemen om een last op te leggen kenbaar is gemaakt en de betrokkene is gehoord, moet een definitief besluit worden opgesteld en kenbaar worden gemaakt aan de belanghebbende. Het besluit moet gericht zijn aan een persoon en kan niet gericht zijn aan een groep. Bij de voorbereiding van het besluit moet de nodige kennis over de relevante feiten en de af te wegen belangen worden vergaard (zorgvuldigheidsvereiste). Om aan te kunnen tonen dat een zorgvuldig besluit is genomen, moeten de volgende onderwerpen in het besluit over het opleggen van een gedragsaanwijzing worden opgenomen, waar mogelijk overgenomen uit het opgebouwde dossier: de bevoegdheid om een gedragsaanwijzing op te leggen (artikelen 151d en 125 Gemeentewet en artikel 2:79, tweede lid, APV 2018); wanneer de overlast heeft plaatsgevonden; waar de overlast heeft plaatsgevonden; de gedragingen waar de gedragsaanwijzing op is gebaseerd; de ernst van de gedragingen; periode van de gedragsaanwijzing; afwegingen over proportionaliteit en subsidiariteit; de gemaakte belangenafweging; bezwaarschriftenclausule; clausule inzake de procedure voorlopige voorziening

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel