Naar hoofdinhoud
In de Jeugdwet is het uitgangspunt dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen allereerst bij de ouders en de jeugdige zelf ligt. Ouders hebben een zogenoemde zorgplicht voor hun kind(eren). Dit houdt in dat zij zorgen voor het mentale en lichamelijke welzijn van de jeugdige(n) en bijdragen aan het bevorderen van de ontwikkeling van hun persoonlijkheid. Deze zorgplicht strekt zich uit over opvang, vervoer, verzorging, begeleiding en opvoeding die een ouder onder meer afhankelijk van de leeftijd en verstandelijke ontwikkeling van de jeugdige, normaal gesproken geeft aan zijn kind. Vandaar dat zorg die naar algemeen aanvaardbare opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten niet ondersteund wordt met een individuele voorziening. Er moet daarbij wel sprake zijn van een leefeenheid die gemeenschappelijk een woning bewoond. In het onderzoek dat uitgevoerd wordt door de consulent wordt beoordeeld of de gevraagde zorg of ondersteuning naar algemeen aanvaardbare opvattingen in redelijkheid verwacht mag worden van ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten en of de zorg ook daadwerkelijk geleverd kan worden door deze personen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in kortdurende en langdurige situaties: Kortdurend: er is uitzicht op herstel. Het gaat hier over een periode van in principe maximaal drie maanden; Langdurig: het gaat om chronische situaties waarbij naar verwachting de hulp langer dan drie maanden nodig zal zijn. In kortdurende situaties is het uitgangspunt dat deze zorg onder de verantwoordelijkheid van de ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten valt. Door het kortdurend karakter treedt doorgaans geen overbelasting op. Hiervoor zal dan ook geen indicatie afgegeven worden. In die (uitzonderlijke) situaties waarin toch overbelasting optreedt, wordt er gekeken hoe hierop ingespeeld kan worden (maatwerk). Bij langdurige situaties bepaalt de consulent of de zorg naar algemene aanvaardbare opvattingen in alle redelijkheid mag worden verwacht of dat er een indicatie afgegeven moet worden voor een individuele voorziening.

Rechtspraak bij dit artikel