Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 4. › Paragraaf 2.

Artikel 18.

Spreekrecht burgers

Onderdeel van Verordening op de raadscommissies 2010, eerste wijziging

Burgers hebben spreekrecht. Zij kunnen het woord voeren in de commissievergadering over op de agenda vermelde onderwerpen. Degene die van het spreekrecht gebruik wil maken, meldt dit binnen een redelijke termijn voor de aanvang van de vergadering aan de griffier. Hij vermeldt daarbij zijn naam, adres en telefoonnummer en het onderwerp, waarover hij het woord wil voeren. Bij de aanvang van de behandeling van een agendapunt stelt de voorzitter de inspreker(s) in de gelegenheid hun mening kenbaar te maken. De voorzitter geeft het woord op volgorde van aanmelding. De voorzitter kan van de volgorde afwijken en hij kan de maximale lengte van de spreektijd beperken indien dit in het belang is van de orde van de vergadering. De spreker voert het woord, nadat de voorzitter hem dit heeft verleend. De deelnemers aan de commissievergadering worden in de gelegenheid gesteld aan de inspreker korte, verhelderendevragen te stellen. Degene die gebruik maakt van het inspreekrecht wordt in de gelegenheid gesteld deel te nemen aan de discussie in eerste termijn. Na de eerste termijn van de beraadslaging krijgt de inspreker nogmaals de gelegenheid om het woord te voeren.

Rechtspraak bij dit artikel