Baanvaksnelheid
De hoogste toegelaten snelheid op een baanvak volgens de baanvaktekeningen uit het Gebruiksdossier.
Blokstelsel
Principe waarbij een gedeelte van de baan verdeeld is in blokken, voorzien van lichtseinen. De lichtseinen geven de trambestuurder informatie over de beschikbaarheid van de opvolgende blokken.
Geluidssein
Een geluidssein is een akoestisch sein dat door zowel trambestuurder als veiligheidsfunctionaris (VHM en/of lwb-tram; zie Kader Werkzaamheden Tramweg) gegeven kan worden ter waarschuwing aan baanwerkers en/of overige personen in de buurt van de naderende tram.
Gevarenzone
Gebied binnen 2,25 m vanaf het hart van een spoor waar aanrijdgevaar door trams rijdend op dat spoor bestaat.
Handsein
Een handsein is een sein dat met de hand al dan niet i.c.m. een licht of sein S2 door een veiligheidsfunctionaris in of naast het spoor wordt gegeven richting de naderende trambestuurder.
Lichtsein
Een lichtsein is een vast sein dat beelden toont in één van drie kleuren (rood, geel of groen). Een lichtsein wordt toegepast op baanvakken waar een blokstelsel aanwezig is.
Lwb-tram
Leider werkplekbeveiliging tram
Openbaar Vervoer Oprij-sein (OVO-sein)
Een Openbaar Vervoer Oprij-sein (OVO-sein) is een voor de doorstroming van openbaar vervoer bij wegkruisingen bedoeld vast sein, dat beelden toont, gevormd, hetzij door een of twee kleine, witte of gekleurde lichten, hetzij een witte verlichte ‘V’ op een ronde achtergrond.
Overweg
Gelijkvloerse kruising van een weg en een spoorweg die wordt aangeduid door middel van een andreaskruis (bord J12 of J13 uit RVV 1990). Een overweg kan voorzien zijn van een overwegbeveiligingsinstallatie.
Overwegbeveiligings- installatie (OBI)
Installatie die een overweg beveiligt door middel van lichten die gaan knipperen, een akoestisch signaal en spoorbomen die de weg voor het wegverkeer afsluiten als er een tram aankomt.
Rechts en links
Rechts en links zijn de zijden van de tram, gezien in de rijrichting.
Rijden op zicht (ROZ)
Rijden op zicht is het rijden met een zodanige snelheid om op elke plaats waar een belemmering aanwezig is, te kunnen stoppen.
Rijwegsein
Een rijwegsein is een vast sein, dat beelden toont, gevormd door in wit of knipperend wit licht uitgevoerde cijfers, letters of symbolen. Rijwegseinen geven informatie over rijwegen (stand van de wissels) en sporen.
RVV
Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens.
Tijdelijke snelheidsbeperking
Een snelheidsbeperking van tijdelijke aard op de toegestane snelheid.
Toegestane snelheid
De toegestane snelheid is het resultaat van de baanvaksnelheid en snelheidsbeperkingen. Deze snelheidsbeperking wordt opgedragen door seinen en/of door voorgeschreven beperkingen uit de Bedieninstructie Infra.
Tram
In dit Reglement wordt onder ‘tram’ verstaan:
een spoorvoertuig als bedoeld in Wet lokaal spoor;
een tram als bedoeld in het RVV.
Tramwaarschuwings-installatie (TWI)
Installatie, voorzien van geel knipperlicht (RVV art. 75) en akoestisch signaal, die het (voornamelijk langzaam) verkeer waarschuwt voor de naderende tram.
Vast sein
Een vast sein is een op een vaste plaats geïnstalleerd sein, dat te allen tijde een in dit reglement omschreven beeld toont.
Verkeersregelinstallatie (VRI)
Installatie op een wegkruising, die één of meerdere verkeersstromen regelt middels het geven van optische signalen aan weggebruikers, welke voor de bus/trambestuurder zijn uitgevoerd als OVO-sein.
VHM
Veiligheidsman is een bevoegd persoon die ervoor zorgt dat de werkende tijdig gewaarschuwd wordt voor naderend tramverkeer.
Wegkruising
Gelijkvloerse kruising van een weg en een spoorweg zonder beveiliging waarbij de doorgang van het (spoor)wegverkeer (gedeeltelijk) kan worden geregeld met een VRI. Bij langzaam kruisend verkeer is veelal een TWI geplaatst ter waarschuwing.
Werkplek
Werklocatie van de werkploeg (in het VVW-tram is dit benoemd als werkruimte).
Op het tramvervoersysteem geldt ‘rijden op zicht’. Rijden op zicht is het rijden met een zodanige snelheid om op elke plaats waar een belemmering aanwezig is, te kunnen stoppen.
Te allen tijde dient bij het rijden rekening gehouden te worden dat er wordt gereden op zicht. Rijden op zicht geldt vòòr ondersteunende seinen en/of bebording.
Dit reglement geldt voor het tramvervoersysteem in de provincie Utrecht bestaande uit:
Utrecht Centraal Centrumzijde – Nieuwegein Stadcentrum v.v.
Nieuwegein Stadcentrum – Nieuwegein Zuid v.v.
Nieuwegein Stadcentrum – IJsselstein Zuid v.v.
Remiseterrein Nieuwegein.
Utrecht Centraal Centrumzijde – P+R Uithof v.v.
Opstelterrein P+R Uithof
De vaste seinen bevinden zich rechts naast of boven het spoor waarvoor zij gelden. Een uitzondering hierop vormen seinen die door de plaatselijke omstandigheden niet rechts kunnen staan; sein B8 moet in dat geval aangeven voor welk spoor het sein geldt.
De overige seinen moeten zodanig naast of in het spoor worden getoond of gegeven, dat het voor de waarneming het gunstigst is.
Seinen moeten zo worden getoond of gegeven, dat daardoor geen misverstand kan ontstaan. De combinatie van afbeelding en omschrijving van de seinbeelden in dit Reglement is bepalend.
Het is verboden seinen anders te gebruiken dan in dit Reglement of in het RVV is omschreven. Dit Reglement laat op grond van het RVV gegeven aanwijzingen of geplaatste verkeerstekens onverlet. Bij een strijdigheid tussen dit Reglement en het RVV prevaleert het RVV.
De trambestuurder moet op de seinen blijven letten tot hij deze is voorbijgereden. Bij passage met de kop van de tram langs het sein geldt de betekenis van betreffend sein.
Is een vast sein, anders dan een OVO-sein, gedoofd of toont het een onduidelijk of een niet in dit Reglement omschreven seinbeeld, dan moet de trambestuurder stoppen, zo mogelijk voor het sein, en zich in verbinding stellen met de verkeersleiding. Hij handelt daarna volgens de hem door de verkeersleiding gegeven instructie. De trambestuurder handelt verder overeenkomstig de voorwaarden van het passeren van een stoptonend sein als omschreven in het document ‘werkprocessen operatie’.
Is een Openbaar Vervoer Oprij-sein gedoofd of toont het een onduidelijk of niet in dit Reglement omschreven seinbeeld, dan moet de trambestuurder waarschuwingssignalen geven, de snelheid verminderen en stoppen wanneer de veiligheid van het verkeer zulks vordert. De trambestuurder doet melding bij de verkeersleiding.
Als een sein buiten dienst is gesteld, wordt het sein aan het zicht onttrokken door het aanbrengen van een grijze of zwarte zak of folie over het sein. Wordt een sein buiten dienst gesteld, dan worden – indien mogelijk – de lichten van het sein gedoofd.
Artikel 1.