Kwaliteitsverbetering van het landschap
Verantwoord moet worden hoe de vereiste kwaliteitsverbetering in een plan is gewaarborgd. Het achterliggende idee hierbij is dat ontwikkelingen actief bijdragen aan versterking van het landschap. Dit gaat dus verder dan het verzachten van de effecten van een ontwikkeling op de omgeving of het beperken van verlies aan omgevingskwaliteit. Het principe is ook bekend als de rood-met-groenkoppeling.
Om gemeenten te ondersteunen bij de uitvoering van de regeling kwaliteitsverbetering heeft de provincie in samenwerking met verschillende gemeenten een handreiking 12 De handreiking geeft handvatten voor de uitvoering van de regeling voor kwaliteitsverbetering van het landschap met beleidsvrijheid voor gemeenten. Ten aanzien van het bepalen van de basisinspanning heeft de handreiking een meer dwingend karakter, afwijken mag daarbij uitsluitend naar boven. opgesteld. Deze paragraaf gaat met name in op de beleidskeuzes die de gemeente, onder andere aan de hand van de handreiking, heeft gemaakt rondom kwaliteitsverbetering van het landschap. De onderliggende informatie vanuit de zijde van de provincie is opgenomen in bijlage 3 bij deze Nota.
Categorieën ontwikkelingen
Rekening houdend met de impact op de omgeving heeft de gemeente in de ‘Tweede herziening bestemmingsplan Buitengebied’ en ‘Derde herziening bestemmingsplan Buitengebied’ drie categorieën van ruimtelijke ontwikkelingen (met de bijbehorende kwaliteitsverbetering) opgenomen:
Categorie 1: ontwikkelingen met een zeer geringe impact; hiervoor wordt geen (extra) ruimtelijke kwaliteitsverbetering gevraagd, geen tegenprestatie.
Categorie 2: ontwikkelingen met een beperkte impact. Dit betreft kleinschalige ruimtelijke ontwikkelingen waarvan het ruimtelijk effect veelal beperkt blijft tot het eigen erf en waarbij slechts in een aantal gevallen een beperkt visueel-ruimtelijk effect is op de directe omgeving.
Categorie 3: ontwikkelingen met een aanzienlijke impact. Dit betreft ruimtelijke ontwikkelingen waarvan de ontwikkelingen omvangrijker zijn en/of meer ruimtelijke gevolgen hebben.
Hieronder is per categorie ontwikkelingen uitgewerkt welke inspanningen een initiatiefnemer moet plegen voor kwaliteitsverbetering van het landschap.
Toepassing gemeentelijk beleidskader kwaliteitsverbetering landschap
De gemeente heeft als uitgangspunt bij ruimtelijke ontwikkelingen dat maatregelen voor de kwaliteitsverbetering van het landschap in ieder geval (ook) op de ontwikkellocatie zelf of op direct aansluitende gronden worden getroffen. Bij de maatregelen op of direct aansluitend op de ontwikkellocatie is de te realiseren kwaliteit van de groene inpassing leidend. In de ‘Tweede herziening bestemmingsplan Buitengebied’ en de ‘Derde herziening bestemmingsplan Buitengebied’ is daarvoor een eigen gemeentelijk beleidskader opgenomen, waarin wordt beschreven op welke wijze en met welke kwaliteit de gemeente wil dat de kwaliteitsverbetering van het buitengebied als tegenprestatie voor het bieden van ontwikkelingsmogelijkheden vorm krijgt. Hierbij is aangesloten bij de in de gemeente Deurne aanwezige landschapstypes. Wanneer het inpassingsplan met maatregelen op de locatie niet voldoet aan het beleidskader moet de initiatiefnemer het inpassingsplan aanpassen.
Categorie 1
Bij ruimtelijke ontwikkelingen in categorie 1 mag de initiatiefnemer maatregelen op de locatie zelf op vrijwillige basis treffen. Bij voorkeur sluit hij daarbij aan bij de (kwaliteits-) criteria van het gemeentelijk beleidskader kwaliteitsverbetering landschap.
Categorie 2
Initiatiefnemers van ruimtelijke ontwikkelingen in categorie 2 passen maatregelen voor de kwaliteitsverbetering van het landschap toe volgens de (kwaliteits-)criteria van het gemeentelijk beleidskader kwaliteitsverbetering landschap, op de locatie zelf of op direct aan de ontwikkeling grenzende gronden.
Categorie 3
Bij ruimtelijke ontwikkelingen in categorie 3 is de uitstraling te groot om deze met maatregelen voor kwaliteitsverbetering op de locatie zelf volledig te compenseren. Een initiatiefnemer kan (of wil, bijvoorbeeld vanwege nog niet helemaal concrete toekomstplannen) soms de basisinspanning ook niet in haar geheel realiseren op de locatie van de ontwikkeling. Er kan maatwerk geboden worden door de basisinspanning over verschillende locaties te mogen spreiden. Daarnaast kan de initiatiefnemer kiezen voor een storting in het Groenfonds. Dit maatwerk gaat als volgt:
Op het eigen perceel: De initiatiefnemer realiseert zoveel mogelijk inpassing van zijn ontwikkeling op het perceel waarop de ontwikkeling plaatsvindt, waarbij de kwaliteitscriteria uit het gemeentelijk beleidskader leidend zijn. Soms is voorgeschreven dat de inpassing binnen het bouwvlak moet plaatsvinden, bijvoorbeeld bij vergroting van het bouwvlak van een intensieve veehouderij. In dat geval moet inpassing daar plaatsvinden.
Op aangrenzende percelen van de initiatiefnemer: Soms heeft een initiatiefnemer percelen die direct grenzen aan het perceel waarop zijn ontwikkeling plaatsvindt. De inpassing van de ontwikkeling kan ook op die aansluitende percelen plaatsvinden wanneer dit passend is voor het landschapstype ter plaatse volgens het gemeentelijk beleidskader.
Op percelen van de initiatiefnemer elders in de gemeente: Wanneer de initiatiefnemer de inpassing niet volledig op eigen perceel of aangrenzend perceel kan (of wil) realiseren en hij heeft een perceel op een andere locatie in de gemeente, kan hij dit perceel inzetten. Op dat perceel realiseert hij dan maatregelen voor de kwaliteitsverbetering van het landschap die op die locatie het best passend zijn volgens de criteria uit het gemeentelijk beleidskader.
Via een fondsstorting: Wanneer de initiatiefnemer zijn inspanning niet volledig op eigen perceel, aangrenzende percelen of elders gelegen percelen kan (of wil) realiseren, doet hij een fondsstorting voor het resterende gedeelte. De gemeente realiseert mede met de bijdragen die in het Groenfonds binnenkomen de groene projecten uit het Groenstructuurplan en het landschapsontwikkelingsplan.
Bij de eerste drie mogelijkheden gaat het om invulling in natura die initiatiefnemer zelf realiseert en beheert. Bij de vierde mogelijkheid, de fondsstorting, zorgt de gemeente voor realisatie en beheer.
Hoogte bijdrage ontwikkeling categorie 3
De gemeente Deurne kiest voor de methode waarbij het ‘rood’ aan de hand van forfaitaire bedragen 13 Hierbij is aansluiting gezocht bij de Kempengemeenten en de gemeente Sint Anthonis wordt omgerekend naar euro’s die worden ingezet voor ‘groen’.
Hiervoor heeft de gemeente een lijst met forfaitaire bedragen op laten stellen door een onafhankelijke makelaar/taxateur. Deze lijst geeft een realistische schatting van de grondwaardes bij verschillende bestemmingen. Er is voor forfaitaire bedragen gekozen om te voorkomen dat bij iedere ontwikkeling de waarde van het perceel getaxeerd moet worden, wat tot een aanzienlijke verhoging van de kosten voor initiatiefnemer zou leiden en tot een verzwaring van de procedure. De vastgestelde forfaitaire grondprijzen per bestemming voor de ontwikkeling van verschillende functies zijn opgenomen in bijlage 4. Deze forfaitaire bedragen moeten periodiek worden herzien. Wanneer de uitkomst van de berekening voor een ontwikkeling kennelijk onredelijk is, vraagt de gemeente advies aan de onafhankelijke makelaar/taxateur die de lijst met forfaitaire bedragen heeft opgesteld. Dit advies heeft betrekking op de specifieke ontwikkeling, maar zorgt tegelijkertijd voor afstemming met/bijstelling van de forfaitaire waarde voor de categorie waar de ontwikkeling toe hoort.
Met behulp van forfaitaire bedragen kan de waardestijging van bijvoorbeeld grond die door de ontwikkeling wordt gerealiseerd worden bepaald. Vervolgens moet worden bepaald welk gedeelte van de waardestijging ingezet moet worden voor maatregelen voor kwaliteitsverbetering. Dit percentage heet de basisinspanning.
De gemeente heeft de volgende basisinspanning bepaald. Deze basisinspanning vloeit voort uit de door de provincie bepaalde minimale basisinspanning.
Basisinspanning buitengebied gemeente Deurne
Stedelijke uitbreiding
1% van de uitgifteprijs
Uitbreiding bestemming/aangeduid bouwvlak
20% van de waardevermeerdering
Uitbreiding bebouwing
20% van de waardevermeerdering
Hergebruik VAB woning
20% van de waardevermeerdering
Niet-agrarische functies (nevenactiviteiten of hergebruik)
20% van het verschil tussen een agrarische bedrijfsbestemming en de (gecorrigeerde) waarde van een bedrijfskavel
Overige ontwikkelingen
maatwerk met als richtlijn 20% van de waardevermeerdering
Maatwerk
Het percentage van de basisinspanning ligt vast. Toch hebben initiatiefnemers op verschillende manieren invloed op de hoogte van de basisinspanning of de invulling ervan door:
De aanpassing van de omvang van het nieuwe bestemmingsvlak
De opzet van (groen)maatregelen
Het aanpassen van de bestemming van delen van het bestemmingsvlak
Bij 1. Aanpassing van de omvang van het nieuwe bestemmingsvlak
De initiatiefnemer kan de hoogte van de basisinspanning beïnvloeden door goed te kijken welke oppervlakte zijn nieuwe bestemmingsvlak moet krijgen en/of hoeveel gebouwen hij laat staan. Welke ruimte heeft hij echt nodig voor de nieuwe functie? Door een bestemmingsvlak of oppervlakte aan gebouwen kleiner te maken kan ook de hoogte van de basisinspanning dalen.
Het college beoordeelt het gevraagde nieuwe bestemmingsvlak en oppervlakte aan gebouwen in redelijkheid op planologische inpasbaarheid.
Dit kan er op een willekeurige locatie bijvoorbeeld zo uitzien:
Bij 2. De opzet van (groen)maatregelen
De initiatiefnemer heeft ruimte om de inpassing op de locatie in te vullen, zolang deze inpassing maar voldoet aan de kwaliteitseisen van het betreffende landschapstype in het gemeentelijk beleidskader kwaliteitsverbetering landschap. Kiest hij voor een minimaal passende erfbeplanting of wil hij wat meer doen? Kiest hij voor wat oudere bomen, zodat het er meteen goed uitziet of kiest hij voor jongere bomen die met de tijd mooi uitgroeien? Heeft hij nog bebouwing die hij niet verplicht is te slopen, maar die hij ook niet nodig heeft en die hij extra kan slopen? Op deze wijze heeft de initiatiefnemer invloed op de hoogte en spreiding van de investeringen.
Het college beoordeelt of het inpassingsplan voldoet aan de kwaliteitseisen.
Bij 3. Het aanpassen van de bestemming van delen van het bestemmingsvlak
De initiatiefnemer of het college kan ervoor kiezen om delen van het bestemmingsvlak anders te bestemmen, bijvoorbeeld door de locatie waar de landschappelijke inpassing is gerealiseerd een groen/natuurbestemming te geven. Omdat verschillende bestemmingen een verschillende forfaitaire grondwaarde hebben, heeft dit gevolgen voor de hoogte van de inspanning.
Dit kan er op een willekeurige locatie bijvoorbeeld zo uitzien:
De wijze waarop vervolgens de hoogte van de bijdrage aan het Groenfonds wordt bepaald is weergegeven in de volgende afbeelding.
# In de offerte mag het gaan over de kosten van aanleg (materiaal en uren) en kosten voor beheer en instandhouding van de eerste 10 jaar.
De gemeente heeft als uitgangspunt bij ruimtelijke ontwikkelingen dat maatregelen voor de kwaliteitsverbetering van het landschap in ieder geval (ook) op de ontwikkellocatie zelf of op direct aansluitende gronden worden getroffen. Dat betekent dat in de situatie dat er geen of nauwelijks grondwaardestijging plaatsvindt door de ontwikkeling, deze ontwikkeling op de locatie moet worden ingepast volgens de kwaliteitscriteria van het gemeentelijk beleidskader kwaliteitsverbetering landschap. Bedrag K is niet te zien als normbedrag voor maatregelen voor kwaliteitsverbetering van het landschap.
Mogelijkheden voor kwaliteitsverbetering
Kwaliteitsverbetering van het landschap kan op verschillende manieren plaatsvinden:
landschappelijke inpassing van bebouwing en bestemmingsvlakken (op de locatie zelf of op een direct aangrenzend perceel);
aanleg of herstel van natuur- en landschapselementen ter versterking van de landschapsstructuur (op de locatie zelf, op een direct aangrenzend perceel, op een perceel elders in de gemeente of via een bijdrage Groenfonds);
aanleg recreatieve voorzieningen ten behoeve van extensief recreatief medegebruik (bankjes, wandelpaden, bewegwijzering etc.) (via bijdrage Groenfonds);
fysieke inrichtingsmaatregelen gericht op behoud en herstel van cultuurhistorie en archeologie (op de locatie zelf, op een direct aangrenzend perceel, op een perceel elders in de gemeente of via bijdrage Groenfonds);
sloop van extra, niet-cultuurhistorisch waardevolle, gebouwen/stallen/kassen en verwijderen verharding, dus bovenop de verplicht te slopen oppervlakte volgens beleid of regelgeving, bijvoorbeeld voorwaarde uit bestemmingsplan of Verordening ruimte (op de locatie zelf);
fysieke bijdrage aan realisering ecologische hoofdstructuur (EHS) en ecologische verbindingszones (EVZ’s) (op een perceel elders in de gemeente of via bijdrage Groenfonds).
Inhoudelijke uitgangspunten en voorwaarden zijn onder andere vastgelegd in Groenstructuurplan, Landschapsontwikkelingsplan, Gemeentelijk beleidskader kwaliteitsverbetering landschap en Tweede herziening bestemmingsplan Buitengebied.
Verrekening van extra sloop
Wanneer extra oppervlakte gesloopt wordt, bepaalt de gemeente met de volgende bedragen de bijdrage van de extra sloop aan de totaal te treffen maatregelen:
de sloop van ongewenste overtollige bebouwing: € 25,00/m2
de sloop van glasopstanden: € 5,00/m2
de sloop van sleufsilo’s en voerplaten: € 5,00/m2
Alleen bebouwing die legaal gerealiseerd is komt in aanmerking voor bovengenoemde verrekening. Voorwaarde is verder dat de extra sloop moet bijdragen aan de ontstening van het buitengebied. (Er mag dus geen nieuwe bebouwing worden teruggebouwd voor de verrekende gesloopte overtollige bebouwing).
Hoofdstuk 2
Artikel 2.2.2
Toepassing Groenfonds in het buitengebied
Onderdeel van Besluit van de gemeenteraad van de gemeente Deurne houdende regels omtrent Nota Kostenverhaal 2018