Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 5

Artikel 5.3

Financiële middelen

Onderdeel van Gemeentelijk Rioleringsplan Purmerend 2018-2023

In het kostenoverzicht (zie bijlage E) maken we onderscheid in exploitatiekosten en investeringsuitgaven. Bij de exploitatiekosten gaat het om jaarlijkse uitgaven voor beheer- en onderhoudsactiviteiten die nodig zijn voor een goed en doelmatig rioleringsbeheer. De kosten van deze uitgaven worden toegeschreven aan het boekjaar waarin deze worden uitgegeven. De kosten voor beheer en onderhoud worden jaarlijks hoger door algemene prijsstijgingen, stijgingen van de lonen, vergroting van het areaal en uitbreiding van werkzaamheden als gevolg van de Wet gemeentelijke watertaken. Door efficiënter te werken kan de noodzakelijke prijsstijging zoveel als mogelijk worden beperkt. Investeringsuitgaven bestaan uit vervangingsinvesteringen (bijvoorbeeld rioolvervanging) en verbeteringsinvesteringen (bijvoorbeeld buisvergroting of afkoppelmaatregelen). Investeringen zijn uitgaven voor zaken die meerdere jaren meegaan en vaak worden gekapitaliseerd. De jaarlijkse kosten die daaruit voortkomen, -de kapitaallasten- bestaan uit rente en afschrijvingen. Activeren of sparen? Na circa 45 jaar zijn de meeste riolen in de gemeente Purmerend aan vervanging toe. De aankomende jaren gaan we veel riolen vervangen of renoveren. Voor de komende planperiode is hiermee een bedrag gemoeid van € 28,8miljoen. Een kostenverhogende factor is de toename van rentelasten. Grote investeringen in de riolering worden doorgaans gekapitaliseerd. Dit betekent dat de investering wordt afgeschreven over de verwachte gebruiksduur. De jaarlijkse afschrijving en rente vormen een last in de rioolbegroting. Naar analogie van een woninghypotheek zijn de kapitaalslasten (vanwege de optredende rentelasten) hierdoor hoger dan het investeringsbedrag. Een alternatief is om te sparen voor toekomstige investeringen. Dit voorkomt (hoogoplopende) rentelasten. De koepelorganisatie van riolerend Nederland ‘Stichting RIONED’ beveelt gemeenten aan om de financieringswijze van investeringen om te vormen naar ‘sparen vooraf’. Om tot een kostendekkend heffingstarief te komen hebben we een financiële doorrekening van de rioolheffing over 60 jaar gemaakt. Om het verschil tussen de financieringsmethodieken ‘Activeren’ en ‘Sparen vooraf’ en het effect van het project Aardgasvrij Purmerend in beeld te brengen hebben we vier verschillende varianten uitgewerkt. De uitgangspunten van de vier onderzochte varianten staan in Tabel 12. Met variant 1 onderzoeken we het heffingsverloop bij voortzetting het huidige beleid (financieringsmethodiek ‘activeren’) met geactualiseerde gegevens. Met variant 2 onderzoeken we de invloed van verschuivingen in de rioolvervangingsplanning door het project aardgasvrij. De overige uitgangspunten zijn gelijk aan de uitgangspunten van variant 1. Met variant 3 onderzoeken we het effect van overstappen op de financieringsmethodiek ‘sparen vooraf’. Hierbij streven we ernaar te activeren investeringen na de planperiode zoveel mogelijk te reduceren via de spaarvoorziening, maar om te voorkomen dat de heffing in het begin moet stijgen worden restinvesteringen nog wel geactiveerd en daarna versneld afgelost. De restboekwaarde bouwen we bij deze variant af tot € 0 aan het eind van de beschouwde periode. Tot slot onderzoeken we met variant 4 het effect van het gedeeltelijk overstappen op de financieringsmethodiek ‘sparen vooraf’. Hierbij streven we ernaar om na de planperiode spaarbedragen op te bouwen tot een vast spaarbedrag van € 1,0 miljoen per jaar. Dit spaarbedrag brengen we in mindering op te activeren investeringen. De restinvesteringen worden geactiveerd tegen de vastgestelde afschrijvingstermijnen. We proberen met deze variant de stijging in restboekwaarde en groeiende rentelasten te beperken en tegelijk een sterk stijgende heffing te voorkomen. Tabel 12 - Uitgangspunten van drie verschillende varianten voor de financiële doorrekening Purmerend Variant Financierings- methodiek Invloed project aardgasvrij Restboek-waarde Variant 1 (Basis) Activeren Geen invloed aardgasvrij € 122.000.000 Variant 2 (Aardgasvrij) Activeren Invloed aardgasvrij: Investeringskosten voor Fasering Overwhere Zuid, Wheermolen Oost, IIsendijkstraat en Wagenweg verschuiven drie jaar naar achter Exploitatiekosten voor maatregelen Overwhere-Zuid en Wheermolen Oost zijn met € 100.000 verhoogd voor extra herstelwerkzaamheden door uitstel van vervanging € 122.000.000 Variant 3 (Sparen vooraf) Gedurende planperiode activeren, daarna sparen vooraf Geen invloed aardgasvrij € 0 Variant 4 (Gedeeltelijk sparen vooraf) Gedurende planperiode activeren, daarna gedeeltelijk sparen vooraf Geen invloed aardgasvrij € 99.000.000 Uitgangspunten & Uitgavenpatroon Ten behoeve van de financiële doorrekening hanteren we de volgende uitgangspunten en randvoorwaarden: Rente & inflatie De rente op nieuwe investeringen en boekwaarden bedraagt 2,25%; Er vindt geen toerekening van rente plaats op positieve saldi van reserves en/of voorzieningen; Er vindt per jaar 2,0% indexatie plaats over loonkosten na de planperiode. BTW Jaarlijks belasten we een percentage van 21% op basis van directe exploitatiekosten en afschrijvingen aan BTW door aan de rioolheffing. In variant 3 belasten we daarnaast een percentage van 21% over dotaties aan de spaarvoorziening. Investeringen Het vervangingsschema voor vrijvervalriolering hebben we in de jaren van de planperiode gebaseerd op de planning van projecten. Op lange termijn hebben we het vervangingsschema gebaseerd op basis van aanlegjaren en een technische levensduur van 45 jaar. De gebruikte kostenkengetallen zijn conform nacalculatie van de afgelopen vijf jaar. Om onrealistische uitschieters in kosten te voorkomen zijn vervangingskosten op lange termijn gemiddeld in blokken van tien jaar. Bovendien zijn jaarlijkse investeringen van € 3,0 miljoen over de piekperiode van 2044 t/m 2053 twintig jaar naar voren gehaald voor een gelijkmatiger en realistischer investeringsverloop; Vervangingsschema’s voor hoofdgemalen, rioolgemalen, tunnelgemalen en drukriolering hebben we gebaseerd op de kostenkengetallen van Leidraad riolering met een prijscorrectiefactor van 1.061. Deze kosten zijn inclusief CVK-kasten en pompunits; Nieuwe perceel aansluitingen op het gemeentelijke riool worden bekostigd door de aanvrager. We hanteren bij het activeren van investeringen de volgende afschrijvingstermijnen: De afschrijvingstermijn op vervangingsinvesteringen voor vriivervalriolering en bouwkundige delen van gemalen, drukriolering en persleiding draagt 45 jaar; De afschrijvingstermijn op vervangingsinvesteringen voor elektro-/mechanische delen van gemalen, en drukriolering bedraagt 15 jaar; De afschrijving vindt lineair plaats, startend aan het begin van het jaar volgend op de investering. Voorzieningen Het saldo van de Voorziening Gemeentelijke Watertaken (BBV 44.2) bedraagt per 1 januari 2018: € 1.312.880. Het saldo van de Voorziening Gemeentelijke Watertaken (BBV 44.2) en de Spaarvoorziening Rioolvervanging (BBV 44.1d) mogen gedurende de gehele beschouwde periode (60 jaar) niet negatief zijn; Er is geen maximum gesteld aan het saldo dat gedurende de beschouwde periode in de Voorziening Gemeentelijke Watertaken (BBV 44.2) en Spaarvoorziening Rioolvervanging (BBV 44.1d) wordt begroot. Heffingseenheden Het aantal heffingseenheden bedraagt per 1 januari 2018: 37.749; In de planperiode stijgt dit aantal met 250 heffingseenheden per jaar tot 39.249 eenheden in 2024, daarna blijft het aantal heffingseenheden gelijk. Rioolheffing De fictieve rioolheffing per heffingseenheid bedraagt in 2018 (startjaar) € 186,00. Dit is een gewogen gemiddelde vanuit de inkomsten uit het eigenarentarief (€ 117,48) en het gebruikerstarief (€ 68,52) over het werkelijk aantal heffingseenheden; Jaarlijks wordt rekening gehouden met kwijtschelding van € 160.000, conform gegevens uit het verleden; De rioolheffing mag maximaal kostendekkend zijn: de geraamde opbrengsten mogen de geraamde lasten niet overstijgen (Gemeentewet artikel 229b); Reserveren voor toekomstige vervangingsinvesteringen - door dotaties aan de reserves en/of (spaar)voorziening is - toegestaan; Reserveren enkel voor uitbreiding van het voorzieningenniveau is niet toegestaan; De opbrengsten van de rioolheffing mogen niet voor andere doeleinden dan voor het gemeentelijk rioolstelsel (inclusief grond- en hemelwatervoorzieningen) worden aangewend ofwel hebben een relatie met de verbrede watertaken. Deze uitgangspunten leiden tot het volgende uitgavenpatroon voor onze gemeente in de periode 2018 t/m 2077: Figuur 17 - Verwacht uitgavenpatroon gemeente Purmerend periode 2018 t/m 2077 (prijspeil 2018). Variant 1 en variant 2: activeren van investeringen In variant 1 en variant 2 activeren we voor de aankomende planperiode (met doorkijk t/m 2077) alle investeringen. De geactiveerde investeringen leiden tot een boekwaarde. Uit de boekwaarde volgen kapitaallasten (rente- en afschrijvingslasten) voor een bepaalde duur. Het boekwaardeverloop van variant 1 is weergegeven in Figuur 18. Figuur 18 – Verwacht boekwaardeverloop gemeente Purmerend periode 2018 t/m 2077 volgens variant 1 (prijspeil 2018). Het uitgavenpatroon in Figuur 17 in combinatie met het boekwaardeverloop in Figuur 18 leiden in variant 1 tot het lastenpatroon zoals weergegeven in Figuur 19. Hierin zijn ook de inkomsten weergegeven ter dekking van de kosten. Figuur 19 – Verwacht lastenpatroon gemeente Purmerend periode 2018 t/m 2077 volgens variant 1 (prijspeil 2018). De benodigde inkomsten in variant 1 hebben we in Figuur 20 vertaald naar de benodigde gemiddelde rioolheffing. Hierbij gaat het om de gemiddelde rioolheffing op basis van prijspeil 2018. Naast de heffing volgens variant 1, is de benodigde heffing weergegeven volgens variant 2. Hierbij is zijn verschuivingen in rioolvervangingsplanning meegenomen als gevolg van het project aardgasvrij Purmerend. Figuur 20 - Benodigd heffingsverloop gemeente Purmerend periode 2018 t/m 2077 volgens variant 1 en variant 2 (prijspeil 2018). Het overzicht in Tabel 13 drukt Fout! Verwijzingsbron niet gevonden. in getallen uit in de planperiode. De verwachte inkomsten en lasten komen in de eerste acht jaar van de beschouwde periode met elkaar overeen, hiermee is de heffing 100% kostendekkend. Na deze acht jaar stijgt de heffing gedurende 30 jaar met een vast percentage tot een stabiel niveau van € 425,76 volgens variant 1 en € 427,63 volgens variant 2. De heffing stijgt gedurende de eerste acht jaar volgens variant 1 iets harder dan de heffing volgens variant 2. Volgens variant 2 verschuiven we investeringen voor Fasering Overwhere Zuid, Wheermolen Oost, IIsendijkstraat en Wagenweg immers drie jaar naar achter. Op de lange termijn valt de benodigde heffing volgens variant 2 een fractie hoger uit dan de benodigde heffing volgens variant 1. Het verschil tussen beide varianten op de lange termijn is echter verwaarloosbaar. Om een kostendekkende rioolheffing te behouden, dient de in Tabel 13 en Fout! Verwijzingsbron niet gevonden. weergegeven rioolheffing jaarlijks te worden geïndexeerd op basis van de optredende inflatie. Tabel 13 - Gepland heffingsverloop gemeente Purmerend periode 2018 t/m 2023 volgens variant 1 en variant 2 (prijspeil 2018). Jaar Benodigde inkomsten uit rioolheffing, incl. kwijtschelding Variant 1 Vast Prijspeil (2018) Benodigde inkomsten uit rioolheffing, incl. kwijtschelding Variant 2 Vast Prijspeil (2018) Aantal heffings-eenheden Gemiddeld tarief per heffingseenheid Variant 1 Vast Prijspeil (2018) Gemiddeld tarief per heffingseenheid Variant 2 Vast Prijspeil (2018) 2018 € 7 021 314 € 7 021 314 37.749 € 186.00 € 186.00 2019 € 6 886 993 € 6 887 366 37.999 € 181,24 (-2,6%) € 181,25 (-2,6%) 2020 € 7 203 167 € 7 037 778 38.249 € 188,32 (+3,9%) € 184,00 (+1,5%) 2021 € 7 574 156 € 7 133 006 38.499 € 196,74 (+4,5%) € 185,28 (+0,7%) 2022 € 7 908 284 € 7 364 662 38.749 € 204,09 (+3,7%) € 190,06 (+2,6%) 2023 € 8 408 972 € 7 839 965 38.999 € 215,62 (+5,6%) € 201,03 (+5,8%) Ter bevordering van lastenegalisatie worden verschillen tussen inkomsten en totale lasten verwerkt op de Voorziening Gemeentelijke Watertaken volgens BBV art. 44.2. Het verwachte saldoverloop van de voorziening volgens variant 1 is weergegeven in Figuur 21. Figuur 21 - Verwacht verloop voorziening gemeente Purmerend periode 2018 t/m 2077 volgens variant 1 (prijspeil 2018). Variant 3: sparen voor later In Variant 3 leiden investeringen gedurende de planperiode tot nieuwe kapitaallasten. Na de planperiode gebruiken we de spaarvoorziening om de te activeren investeringsuitgaven zoveel mogelijk tot € 0,- te reduceren. Op het moment dat het saldo in de spaarvoorziening niet voldoende is, worden resterende investeringsbedragen geactiveerd. Dit leidt dan alsnog tot boekwaarden en daaruit volgende kapitaallasten. Bovendien leiden de nog resterende boekwaarden van in het verleden geactiveerde investeringen tot kapitaallasten in de beschouwde periode. Het totale boekwaardeverloop is weergegeven in Figuur 22. Figuur 22 - Verwacht boekwaardeverloop gemeente Purmerend periode 2018 t/m 2077 volgens variant 3 (prijspeil 2018). Het uitgavenpatroon in Figuur 17 in combinatie met het boekwaardeverloop in Figuur 22 leiden in variant 3 tot het lastenpatroon zoals weergegeven in Figuur 23. Hierin zijn ook de inkomsten weergegeven ter dekking van de kosten. Figuur 23 – Verwacht lastenpatroon en inkomstenpatroon gemeente Purmerend periode 2018 t/m 2077 volgens variant 3 (prijspeil 2018). De benodigde inkomsten hebben we in Figuur 24 vertaald naar de benodigde gemiddelde rioolheffing per heffingseenheid. Hierbij gaat het om de rioolheffing op basis van prijspeil 2018. Figuur 24 – Benodigd heffingsverloop gemeente Purmerend periode 2018 t/m 2077 volgens variant 3 (prijspeil 2018). In de planperiode activeren we investeringen volgens variant 3. Pas na de planperiode bouwen we spaarbedragen op. Dat betekent dat de verwachte lasten in de planperiode volgens variant 3 gelijk zijn aan de verwachte lasten volgens variant 1. De verwachte inkomsten zijn in deze periode gelijk aan de verwachte lasten, hiermee is de gemiddelde heffing jaarlijks 100% kostendekkend. Het geplande heffingsverloop volgens variant 3 is in de planperiode dus hetzelfde als in variant en is weergegeven in Tabel 13. Na de planperiode groeien onze spaarbedragen volgens variant 3 jaarlijks met € 683.000 tot een vast spaarbedrag vanaf 2032 van € 6.165.000 per jaar voor toekomstige vervangingsinvesteringen. Met dit spaarbedrag kunnen we onze boekwaarde afbouwen tot € 0 aan het einde van de beschouwde periode. Om de genoemde spaarbedragen te kunnen realiseren moet de heffing na de planperiode volgens variant 3 sneller stijgen dan de heffing volgens variant 1. De heffing volgens variant 3 stijgt na de planperiode jaarlijks met 6,8% tot een stabiel niveau van € 389,28 vanaf 2032. Vanaf 2065 kan de heffing zelfs dalen tot € 362,62 als gevolg van het voordeel van minder rentelasten. Om een kostendekkende rioolheffing te behouden, dient de in Tabel 13 en Figuur 24 weergegeven rioolheffing jaarlijks te worden geïndexeerd op basis van de optredende inflatie. Ter bevordering van lastenegalisatie worden verschillen tussen inkomsten en totale lasten verwerkt op de Voorziening Gemeentelijke Watertaken volgens BBV art. 44.2. Daarnaast leiden de spaarbedragen tot stortingen naar – en de vervangingsinvesteringen tot onttrekkingen uit – de Spaarvoorziening Rioolvervanging volgens BBV art. 44.1d. Het gecombineerde saldoverloop van de voorzieningen volgens variant 3 is weergegeven Figuur 25. De vervangingsinvesteringen zijn al vanaf het eerste jaar hoger dan de spaarbedragen. Omdat we inkomende spaarbedragen jaarlijks ook weer onttrekken om restinvesteringen versneld af te lossen, is er gedurende de beschouwde periode nooit een saldo aanwezig in de voorziening aan het einde van het jaar. Figuur 25 - Verwacht verloop voorziening gemeente Purmerend periode 2018 t/m 2077 volgens variant 3 (prijspeil 2018). Variant 4: gedeeltelijk sparen voor later In Variant 4 leiden investeringen gedurende de planperiode en de geactiveerde investeringen in de periode daarna (met doorkijk t/m 2077) tot nieuwe kapitaallasten. Bovendien leiden de resterende boekwaarden van in het verleden geactiveerde investeringen in de beschouwde periode nog tot kapitaallasten (zie Figuur 22). Na de planperiode schrijven we een gedeelte van alle investeringen af door spaarbedragen in mindering te brengen op investeringen, hieruit volgen geen nieuwe kapitaallasten. Figuur 26 - Verwacht boekwaardeverloop gemeente Purmerend periode 2018 t/m 2077 volgens variant 4 (prijspeil 2018). Het uitgavenpatroon in Figuur 17 in combinatie met het boekwaardeverloop in Figuur 26 leiden in variant 3 tot het lastenpatroon zoals weergegeven in Figuur 27. Hierin zijn ook de inkomsten weergegeven ter dekking van de kosten. Figuur 27 - Verwacht lastenpatroon en inkomstenpatroon gemeente Purmerend periode 2018 t/m 2077 volgens variant 4 (prijspeil 2018). De benodigde inkomsten hebben we in Figuur 28 vertaald naar de benodigde gemiddelde rioolheffing. Hierbij gaat het om de rioolheffing op basis van prijspeil 2018. Figuur 28 – Benodigd heffingsverloop gemeente Purmerend periode 2018 t/m 2077 volgens variant 4 (prijspeil 2018). Volgens variant 4 activeren we investeringen gedurende de planperiode. Pas na de planperiode bouwen we spaarbedragen op. Dat betekent dat de verwachte lasten volgens variant 4 gelijk zijn aan de verwachte lasten volgens variant 1 en variant 3. Het geplande heffingsverloop volgens variant 4 is in de planperiode jaarlijks ook 100% kostendekkend en is dus in de planperiode hetzelfde als het geplande heffingsverloop volgens variant 1 en variant 3, zie Tabel 13. Na de planperiode groeien onze spaarbedragen volgens variant 4 jaarlijks met € 37.500 tot een vast spaarbedrag vanaf 2032 van € 1,0 miljoen per jaar voor toekomstige vervangingsinvesteringen. Met dit spaarbedrag kunnen we onze restboekwaarde - ofwel “restschuld” - reduceren ten opzichte van variant 1. De heffing valt volgens variant 4 in de jaren na de planperiode hoger uit ten opzichte van variant 1, blijft in de tweede helft van de beschouwde periode lager. De heffing stijgt na de planperiode jaarlijks met een percentage van 2,2% tot € 409,12 in 2053. Om een kostendekkende rioolheffing te behouden, dient de in Tabel 13 en Figuur 28 weergegeven rioolheffing jaarlijks te worden geïndexeerd op basis van de optredende inflatie. Ter bevordering van lastenegalisatie worden verschillen tussen inkomsten en totale lasten verwerkt op de Voorziening Gemeentelijke Watertaken volgens BBV art. 44.2. Daarnaast leiden de spaarbedragen tot stortingen naar – en de vervangingsinvesteringen tot onttrekkingen uit – de Spaarvoorziening Rioolvervanging volgens BBV art. 44.1d. Het gecombineerde saldoverloop van de voorzieningen volgens variant 4 is weergegeven Figuur 29.Figuur 25 Figuur 29 - Verwacht verloop voorziening gemeente Purmerend periode 2018 t/m 2077 volgens variant 4 (prijspeil 2018). Vergelijking varianten De geplande heffing is voor alle varianten jaarlijks 100% kostendekkend gedurende de planperiode. De manier van financiering en het bijbehorende heffingspatroon na de planperiode verschillen echter van elkaar. Onderstaand beschrijven we de voor en nadelen van de vier onderzochte varianten voor de gemeente Purmerend. Tabel 14 - Samenvatting resultaten varianten gemeente Purmerend (prijspeil 2018). Variant Start heffing Heffing 2023 Max. heffing Rentelasten 2018 t/m 2077 Restboek- waarde 2077 1 (basis) € 186,00 € 215,62 € 425,76 (Vanaf 2056) € 148.854.000 € 122.069.493 2 (aardgasvrij) € 186,00 € 201,03 € 427,63 (Vanaf 2056) € 148.854.000 € 122.069.493 3 (sparen vooraf) € 186,00 € 215,62 € 389,28 (Vanaf 2032) € 49.995.000 € 0 4 (gedeeltelijk sparen vooraf) € 186,00 € 215,62 € 409,12 (Vanaf 2053) €130.232.000 € 99.069.000 Basis versus Aardgasvrij In onze gemeente zijn we bezig met het project aardgasvrij Purmerend. In variant 2 zijn wat verschuivingen in de rioolvervangingsplanning omdat het efficiënt is om alle werkzaamheden in de openbare ruimte met elkaar te combineren. Daarnaast zijn de directe kosten gedurende de planperiode hoger voor extra herstelwerkzaamheden door uitstel van vervanging. Omdat investeringen volgens variant 2 naar achter worden geschoven, kan de heffing op korte termijn gemiddeld een aantal euro’s lager blijven ten opzichte van variant 1. Op lange termijn valt de heffing als gevolg van verschuivingen in de rioolvervangingsplanning een fractie lager uit. Deze extra stijging ten opzichte van variant 1 is echter verwaarloosbaar. Activeren versus sparen vooraf We verwachten een investeringspiek in de komende planperiode en na 2034 in onze gemeente Purmerend. De activeren-varianten en de spaar-variant gaan uit van een verschillende tactiek om ons voor te bereiden op deze pieken. In variant 1 en variant 2 activeren we investeringen en schuiven daardoor een groot deel van de lasten die voortkomen uit de investeringspiek na 2034 buiten de beschouwde periode. De heffing houden we volgens deze twee varianten zo lang mogelijk laag. Volgende generaties zullen onze lasten moeten aflossen. Activeren is dus in de beschouwde periode goedkoper dan sparen. De keerzijde hiervan is dat de restschuld niet afneemt, maar zelfs bijna zeven keer zo groot wordt ten opzichte van de huidige restschuld. In variant 3 starten we na de planperiode met het opbouwen van een spaarvoorziening. Met deze spaarvoorziening voorkomen we groeiende rentelasten en hoge restschulden in de toekomst. In deze variant bouwen we de boekwaarde af tot € 0 aan het eind van de beschouwde periode. Om dat te kunnen bereiken moet de heffing eerder gaan stijgen dan wanneer we blijven activeren. De heffing valt daardoor in de eerste helft van de beschouwde periode hoger uit dan in de varianten waarin we activeren. Op lange termijn komt het voordeel van het ontstaan van minder nieuwe rentelasten tot uiting doordat de heffing minder ver hoeft door te stijgen dan wanneer we blijven activeren. De heffing kan zelfs omlaag. Bovendien bouwen we volgens variant 3 restschulden af. In variant 4 starten we na de planperiode gedeeltelijk met het opbouwen van een spaarvoorziening. Deze variant kan gezien worden als een mengvariant tussen variant 1 en variant 3. We hebben met variant 4 de ambitie om groeiende rentelasten en hoge restschulden te verminderen door een vast spaarbedrag vast te stelle. Om te voorkomen dat de heffing sterk moet stijgen activeren we echter ook nog een groot gedeelte van de geplande investeringen. De heffing is valt hierdoor op korte termijn iets hoger uit dan wanneer we investeringen volledig blijven activeren. Op lange termijn blijft de heffing lager door het voordeel van het ontstaan van minder nieuwe rentelasten. In de beoordeling van de resultaten dient rekening te worden gehouden met de huidige, lage rentestand. Als de rente in de toekomst weer zou stijgen, pakken de varianten waarbij we investeringen overwegend activeren ongunstiger uit dan de varianten waarbij we overwegend spaarbedragen inzetten voor toekomstige vervangingsinvesteringen. De rente op geactiveerde investeringen zal immers mee stijgen, waardoor de rentelasten als gevolg van aanwezige boekwaarde evenredig toe zal nemen. Deze lastenverhoging komt op dat moment direct en volledig ten laste van de rioolheffing. Door gebruik te maken van een spaarsystematiek worden we als gemeente – voor wat betreft de rioolheffing – aanzienlijk minder afhankelijk van veranderingen op de financiële markten. Concluderend kunnen we stellen dat de verlaging van de boekwaarde riolering leidt tot meer zekerheid in de lastenontwikkeling en meer stabiliteit in het benodigde heffingstarief. Het blijven hanteren van een activeringssystematiek leidt bij lage rentestanden tot een lastenvoordeel, maar bij rentestijgingen juist tot een sterkere (en snellere) lasten- en tariefsverhoging. We kunnen als gemeente Purmerend kiezen voor een mengvorm tussen de financieringsmethodieken. Onafhankelijk van de gekozen variant actualiseren we de kostendekkingsberekeningen periodiek waarna eventuele tariefbijstellingen op basis van actuele lasten en opbrengsten worden doorgevoerd. Aldus vastgesteld in de openbare vergadering d.d. 28 maart 2019 de griffier, R.J.C. van der Laan de voorzitter, D. Bijl

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel