Artikel 125 Gemeentewet geeft aan het college van burgemeester en wethouders de bevoegdheid om bestuursdwang toe te passen, omdat het college krachtens artikel 16, eerste lid van de Lpw met de handhaving van die wet is belast. Bestuursdwang houdt in dat op kosten van de overtreder, de overtreding door een handeling van de gemeente (feitelijk) ongedaan wordt gemaakt. Voor de Lpw is dit niet het meest voor de hand liggend instrument. Artikel 5:32 Algemene wet bestuursrecht (Awb) geeft als alternatief voor het bestuursorgaan dat bevoegd is tot het toepassen van bestuursdwang de mogelijkheid om een last onder dwangsom op te leggen. Het opleggen van een last onder dwangsom strekt ertoe de overtreding ongedaan te maken of verdere overtreding dan wel herhaling van overtreding te voorkomen. Bij de keuze van een herstelsanctie dient altijd een afweging te worden gemaakt of inzet van dit middel kan leiden tot het doel, namelijk beëindiging van het schoolverzuim en waarborging van het recht op onderwijs.
De last onder dwangsom kan alleen worden opgelegd tegen degene die volgens de Lpw de overtreding ongedaan kan maken/kan voorkomen. Bij absoluut verzuim betekent dit uitsluitend de ouders/verzorgers en bij relatief verzuim zowel de ouders/verzorgers als de leerling ouder dan 12 jaar.
Voor leerplicht een passend middel?
De overtreding van de verplichting tot inschrijving op een school en/of regelmatig schoolbezoek (artikel 2, eerste lid Lpw) is een zogenaamde duurovertreding: elke dag dat de betrokkenen (ouder en/of leerling) in verzuim blijven of komen, duurt de overtreding voort. Daarom is het opleggen van een last onder dwangsom, in principe een passend instrument.
Op grond van artikel 5:32b Awb is het mogelijk om een dwangsom vast te stellen op een bedrag per tijdseenheid dat de last niet is uitgevoerd. In het kader van de leerplicht dient hierbij gedacht te worden aan de last dat ouders het absoluut verzuim opheffen door het kind in te schrijven op een school en daarna dienen te zorgen voor een regelmatig schoolbezoek van het kind. Ouders moet daarbij een zogenoemde begunstigingstermijn worden gegeven, waarin zij de tijd krijgen om een en ander te regelen. Duurt het absoluut verzuim na het verloop van deze termijn voort, dan verbeuren de ouders van rechtswege de dwangsom per tijdseenheid (dag) dat het verzuim doorgaat. Verbeuren houdt in dat de ouder de dwangsom verschuldigd is aan de gemeente.
Een last kan bijvoorbeeld worden opgelegd als een leerling al 16 keer in 4 weken verzuimd heeft en de kans dus groot is dat het verzuim zich gaat herhalen. De last betreft een dwangsom voor ieder uur dat er sprake is van een nieuwe overtreding.
Relatie met de strafrechtelijke handhaving
In beginsel kunnen strafrechtelijke en bestuursrechtelijke handhaving naast elkaar bestaan. Dus de combinatie van last onder dwangsom en een strafrechtelijke vervolging behoort tot de mogelijkheden. Daarover bestaat in de juridische literatuur overeenstemming. Ook kan de last worden ingezet als extra breekijzer, nadat de strafrechter ouders heeft veroordeeld en de overtreding nog moet worden beëindigd.
Een last onder dwangsom kan onder bepaalde omstandigheden effectiever zijn dan de ‘klassieke' strafrechtelijke sancties, vooral wanneer voor voortzetting van de overtreding, dan wel herhaling daarvan, gevreesd moet worden. Een last onder dwangsom is een herstelsanctie. De ouder en/of kind krijgt nog een begunstigingstermijn om de overtreding te doen eindigen en het gedrag te verbeteren. Als er in het strafrechtelijk traject eenmaal een proces-verbaal is opgemaakt, zal deze in veel gevallen voorkomen voor de rechter. De rechter weegt wel het gedrag na het opmaken van het proces-verbaal mee. Een verbetering in het gedrag kan dan ook leiden tot een lagere strafoplegging of een voorwaardelijke straf.
Is de gemeente verplicht een last onder dwangsom op te leggen of te innen?
Nee. Alle omstandigheden ten aanzien van de overtreding dienen in de beoordeling betrokken te worden. Er dient te worden bezien of deze omstandigheden op zichzelf danwel tezamen met andere omstandigheden, moeten worden aangemerkt als bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 4:84 van de Awb die maken dat het handelen overeenkomstig deze beleidsnotitie gevolgen heeft, die onevenredig zijn in verhouding tot de overtreding.
Artikel 2.