Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk

Artikel 5

Stedenbouwkundige matrix

Onderdeel van Beleidsregels voor grondgebonden woningen

Gebied 1: Historische gesloten bebouwing, Gebied 2: Historische open bebouwing, Gebied 3: Tuinstad, Gebied 4: Jaren 70 en 80 wijken, Gebied 5: Overig Gebiedsindeling volgens de gebiedstypen-kaart zoals aangegeven in artikel 6 CRITERIA Gebieden 1 2 3 4 5 Bouwvlak, tuin, erf 1. Het deel van het bouwperceel waar op grond van nummer 7 van deze matrix hoofdbebouwing is toegestaan behoort tot het bouwvlak. Het bouwvlak is geen tuin noch erf in de zin van deze beleidsregels. X X X X X 2. De tuin ligt vóór de voorgevellijn en het erf ligt achter de achtergevellijn. X X X X X Als er op het bouwperceel naast de zijgevellijn grond aanwezig is, wordt die grond aangemerkt als tuin en/of erf waarbij de grens tussen tuin en erf wordt bepaald aan de hand van de nummer 3 t/m 6 van deze matrix. Indien sprake is van mantelzorg kan deze grens worden verlegd (zie nummer 18 van deze matrix). 3. De grens tussen tuin en erf ligt op de voorgevellijn. X Ten aanzien van bouwpercelen op hoeken van straten en voor zover het betreft de gronden gelegen achter de voorgevellijn geldt daarnaast als grens tussen tuin en erf de naar de weg gekeerde zijgevellijn. De tuin ligt aan de straatzijde van deze grens. 4. De grens tussen tuin en erf ligt bij hoekwoningen, voor zover niet grenzend aan een openbaar toegankelijk gebied, op 1,00 meter achter de voorgevellijn. Bij hoekwoningen grenzend aan een openbaar toegankelijk gebied, vrijstaande woningen en (al dan niet geschakelde) twee-onder-één-kap-woningen ligt deze grens op 3,00 meter achter de voorgevellijn. X X 5. De grens tussen tuin en erf ligt op 6,00 meter achter de voorgevellijn. X 6. De grens tussen tuin en erf is afhankelijk van de ter plaatse aanwezige situatie en wordt per situatie apart beoordeeld. X Uitbreiding van hoofdbebouwing 7. De hoofdbebouwing mag naar achteren worden uitgebreid: X X X X X - tot een bouwdiepte van maximaal 15 meter bij achtererven met een diepte van 40 meter of meer; - tot een bouwdiepte van maximaal 12 meter bij achtererven met een diepte van 20 tot 40 meter; - tot een bouwdiepte van maximaal 10 meter bij achtererven met een diepte van 10 tot 20 meter; - tot een bouwdiepte van maximaal 8 meter bij achtererven met een diepte tot 10 meter; mits: - gebleven wordt in het gebied gelegen tussen het verlengde van de zijgevels van het hoofdgebouw; - de lengte van de loodrechte lijn vanaf het midden van de achtergevel tot de kruising met de achterste perceelsgrens minimaal 8,00 meter is;1 - de bouwhoogte van de uitbreiding niet hoger is dan de hoogte van de hoofdbebouwing ter plaatse van de uitbreiding. Binnen het gebied waar op grond van deze bepaling hoofdbebouwing is toegestaan, zijn tevens bijgebouwen en overkappingen toegestaan. Voor bijgebouwen binnen dit gebied geldt een maximale goothoogte van 3,00 meter en een maximale bouwhoogte van 5,00 meter en voor overkappingen een maximale goothoogte van 3,00 meter en een maximale bouwhoogte van 4,00 meter. In aanvulling op de uitbreidingen die mogelijk zijn op grond van deze bepaling, zijn de uitbreidingen mogelijk als genoemd in nummers 17 en 18 van deze matrix. Als de uitbreiding tot gevolg heeft dat aangebouwd wordt tegen een bestaand vrijstaand bijgebouw, is dit toegestaan, mits het bestaande bijgebouw na gereedkoming van het bouwplan voldoet en blijft voldoen aan de definitie (in deze beleidsregels) van bijgebouw, met uitzondering van de eis van vrijstaandheid. 1 achterpaden behoren niet tot het bouwperceel 8. Overschrijdingen van de goot- en bouwhoogte van hoofdgebouwen tot maximaal 0,3 m zijn toegestaan indien er door de grotere goot- en bouwhoogte geen extra bouwlaag kan ontstaan en indien redelijke eisen van welstand zich hiertegen niet verzetten. Deze regeling is niet van toepassing in combinatie met het bepaalde in nummers 9, 10 en 11 van deze matrix en artikel 7. Deze regeling is ook niet van toepassing op aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen. X X X X X 9. Bij woningen met een lage zolderverdieping onder een flauw hellend zadeldak is een nokverhoging door middel van het naar achteren doorzetten van het voordakvlak onder voorwaarden toegestaan: X X 1. de dakopbouw wordt niet gebouwd op een (rijks- of gemeentelijk-) monument, een stadsbeeldobject of in een door het Rijk aangewezen beschermd stads- of dorpsgezicht of gemeentelijk beschermd stadsbeeld; 2. het betreft de kap van het hoofdgebouw, dus niet van een aan- of uitbouw of van een bijgebouw; 3. het betreffende dak heeft nog geen toevoegingen (in de vorm van dakkapellen of andere opbouwen) per woning of gebouw gerekend; 4. de nokverhoging is bouwtechnisch noodzakelijk. Dit wil zeggen dat de hoogte tussen de niet-afgewerkte vloer en de onderzijde van de nokbalk dusdanig klein is, dat met een dakkapel vanuit de bestaande nok geen stahoogte van 2,1m gerealiseerd kan worden; 5. de verhoging van de nok mag niet meer bedragen dan bouwtechnisch noodzakelijk is om ter plaatse van het raamkozijn een stahoogte van 2,1 m boven de vloer te realiseren (hbi in tekening) met een maximum van 0,75m. En met dien verstande dat, indien er schoorstenen in de nok aanwezig zijn/waren, de nok niet hoger mag worden dan de oorspronkelijke schoorstenen; 6. De hellingshoek van het doorgetrokken dakvlak is gelijk aan die van het voordakvlak. 7. De hellingshoek van het achterdakvlak van de opbouw is, indien mogelijk, gelijk aan dat van het voordakvlak. De hellingshoek van het achterdakvlak van de opbouw is minimaal de helft van, maar nooit groter dan de hellingshoek van het voordakvlak; 8. De hoogte1 bedraagt maximaal 1,75 meter; 9. De onderzijde van de dakopbouw2 ligt op minimaal 0,5m boven de dakvoet. 10. De breedte3 van de dakopbouw is afhankelijk van de situatie: a. Als er van oorsprong schoorstenen aanwezig zijn is de breedte maximaal de ruimte tussen de oorspronkelijke schoorstenen. b. Als er van oorsprong geen schoorstenen aanwezig waren, dan is de afstand van de buitenzijde van de wanden tot het hart van de woning-scheidende wanden minimaal 0,5 meter. c. Bij hoekwoningen ligt de zijkant van de dakopbouw minstens 0,5 meter van de zijkant van het dakvlak4. d. Als er voor meerdere woningen gelijktijdig een omgevingsvergunning voor dit type dakopbouw gevraagd wordt, kan dit aanleiding zijn om van de maximale breedte af te wijken. Dit wordt ad hoc beoordeeld. 11. De vormgeving van de dakopbouw sluit aan bij de woning: a. De daken van de dakopbouw worden uit gevoerd in dezelfde pannen als de woning (bv door hergebruik van de vrijkomende pannen); b. De nieuwe gevelpannen sluiten aan bij de overige pannen (soort dakpan, grootte, kleur, etc.); c. De materialisering en kleurstelling (van bijvoorbeeld kozijnen en geveldelen) is afgestemd op de rest van de woning. 1 Gemeten vanaf de onderkant van de opbouw (de overgang van verticale deel op het pannendak) tot de goot van de dakopbouw. 2 De overgang van verticale deel op het pannendak. 3 De uitwendige maat van de wanden van de dakopbouw. 4 De horizontale afstand wordt gemeten van de bovenzijde van de dakopbouw (de dakrand) tot de hoekkepers en van de onderzijde van de dakopbouw (de voet) tot de kilkepers. 10. Een bestaand plat afgedekt hoofdgebouw van twee bovengrondse bouwlagen1 mag worden voorzien van een dakopbouw, of gelijksoortige uitbreiding van het hoofdgebouw, mits de uitbreiding hetzij plat afgedekt hetzij in de vorm van een kap wordt uitgevoerd. De goothoogte van een plat afgedekte uitbreiding mag, gemeten vanaf de bovenkant van de tweede bouwlaag, niet hoger zijn dan 3,50 m. De bouwhoogte van een kap mag gemeten vanaf de bovenkant van de tweede bouwlaag, niet hoger zijn dan 4,00 meter. X X X X Deze bepalingen gelden alleen indien het bestemmingsplan niet rechtstreeks een (gedeeltelijke) derde bovengrondse bouwlaag mogelijk maakt. Indien het bestemmingsplan wel een (gedeeltelijk) derde bouwlaag mogelijk maakt, gelden uitsluitend de bouwmogelijkheden van het bestemmingsplan. Bij andere hoofdgebouwen zijn dakopbouwen niet toegestaan, evenals dakopbouwen die niet voldoen aan bovenstaande bepalingen. 1 Situaties waarbij er sprake is van een hoofdgebouw in twee bouwlagen met een nagenoeg plat dak waarvan de kaphelling (het verschil tussen de goot- en nokhoogte) dermate klein is dat het dakvlak niet zichtbaar is vanuit openbaar gebied, worden apart getoetst. 11. Een bestaand plat afgedekt hoofdgebouw van twee bovengrondse bouwlagen1 mag worden voorzien van een dakopbouw, of een gelijksoortige uitbreiding van het hoofdgebouw, mits de uitbreiding hetzij plat afgedekt hetzij in de vorm van een kap wordt uitgevoerd. De goothoogte van een plat afgedekte uitbreiding mag, gemeten vanaf de bovenkant van de tweede bouwlaag, niet hoger zijn dan 4,00 meter. De bouwhoogte van een kap mag, gemeten vanaf de bovenkant van de tweede bouwlaag, niet hoger zijn dan 5,00 meter. X Deze bepalingen gelden alleen indien het bestemmingsplan niet rechtstreeks een (gedeeltelijk) derde bovengrondse bouwlaag mogelijk maakt. Indien het bestemmingsplan wel een (gedeeltelijk) derde bouwlaag mogelijk maakt, gelden uitsluitend de bouwmogelijkheden van het bestemmingsplan. Bij andere hoofdgebouwen zijn dakopbouwen niet toegestaan, evenals dakopbouwen die niet voldoen aan bovenstaande bepalingen. 1 Situaties waarbij er sprake is van een hoofdgebouw in twee bouwlagen met een nagenoeg plat dak waarvan de kaphelling (het verschil tussen de goot- en nokhoogte) dermate klein is dat het dakvlak niet zichtbaar is vanuit openbaar gebied, worden apart getoetst. 12. Verticale uitbreidingen van de woning met een doorvalbeveiliging, (erf)afscheiding, schoorsteen, (schotel)antenne, “esthetische verfraaiingen”, vlaggenmast, liftschacht, technische ruimte, (brand)trap, lichtkoepel, ventilatievoorziening, airco, zonnepanelen, (overige) installaties en voorzieningen op het dak, of qua aard en omvang daarmee vergelijkbare uitbreidingen, hangen af van de ter plaatse aanwezige situatie en worden, voor zover niet vergunningsvrij, apart beoordeeld. X X X X X Voor dakkapellen wordt toestemming verleend om af te wijken van het bestemmingsplan als wordt voldaan aan het gestelde in de Uitwerkingsnota Beeldkwaliteit ten aanzien van dakkapellen. Voor dakterrassen zie artikel 7. 13. Voor aan- of uitbouwen gelegen binnen het bouwvlak naast de woning geldt dat deze, afhankelijk van de ter plaatse aanwezige situatie, mogen worden voorzien van een dakopbouw of gelijksoortige uitbreiding. Dit wordt apart beoordeeld en is alleen toegestaan indien redelijke eisen van welstand zich hiertegen niet verzetten. X X X X X Deze regeling is alleen van toepassing indien het bestemmingsplan niet rechtstreeks een dakopbouw (of een gelijksoortige uitbreiding) op de aan- of uitbouw mogelijk maakt. Indien het bestemmingsplan dit wel mogelijk maakt, gelden uitsluitend de bouwmogelijkheden van het bestemmingsplan. Deze regeling is niet van toepassing in combinatie met het bepaalde in nummers 10 en 11 van deze matrix. Bouwen beneden peil 14. Bouwen beneden peil, ten behoeve van de bestemming, is toegestaan indien en voor zover hoofdbebouwing is toegestaan. X X X X X In aanvulling op de uitbreidingen die mogelijk zijn op grond van deze bepaling, zijn de uitbreidingen mogelijk als genoemd in nummers 21 en 22 van deze matrix. Aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen bij hoofdgebouwen 15. In de tuin zijn aan- en uitbouwen met een maximale diepte van 1,50 meter toegestaan met een goot- en bouwhoogte van maximaal 0,3m boven de eerste bouwlaag van de hoofdbebouwing ter plaatse van de geplande aan- of uitbouw. Indien de aan- of uitbouw wordt voorzien van een kap mag de bouwhoogte maximaal de hoogte van de tweede bouwlaag van de hoofdbebouwing zijn, ter plaatse van de geplande aan- of uitbouw. X X X X X Voor zover deze vóór de voorgevellijn worden gerealiseerd, geldt een maximale breedte van 60% van de betreffende gevelbreedte (voorgevel) van het hoofdgebouw. Indien bij de bouw van bijvoorbeeld een erker het hergebruiken van het bestaande kozijn het bouwtechnisch noodzakelijk maakt de maximale breedte te overschrijden, kan hier op basis van een redelijke eisen van welstand, van worden afgeweken. De aan- of uitbouw moet geheel binnen de betreffende gevelbreedte (voor- of zijgevel) van het hoofdgebouw worden opgericht. Als uitzondering hierop geldt dat een “hoekovergang” is toegestaan. 1 Het bestaande kozijn: het kozijn dat reeds aanwezig is in de gevelopening waar de erker gerealiseerd wordt. 16. Het is toegestaan, indien en voor zover er in de tuin recht vóór de voorgevel van het hoofdgebouw een bestaand bijgebouw aanwezig is, de ruimte tussen het hoofdgebouw en dat bestaande bijgebouw te bebouwen met een aan- of uitbouw mits: X X a. aangesloten wordt bij de bouwhoogte van het bijgebouw tot maximaal de bouwhoogte van de eerste bouwlaag van het hoofdgebouw; b. het bestaande bijgebouw na gereedkoming van het bouwplan voldoet en blijft voldoen aan de definitie (in deze beleidsregels) van bijgebouw, met uitzondering van de eis van vrijstaandheid. 17. Op het erf zijn aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen toegestaan mits: X X X X X - het bebouwde oppervlakte van het erf niet meer bedraagt dan: 1. in geval van een erf kleiner dan of gelijk aan 100 m2: 50% van dat erf; 2. in geval van een erf groter dan 100 m2 en kleiner dan of gelijk aan 300 m2: 50 m2, vermeerderd met 20% van het deel van het erf dat groter is dan 100 m2; 3. in geval van een erf groter dan 300 m2: 90 m2, vermeerderd met 10% van het deel van het erf dat groter is dan 300 m2, tot een maximum van in totaal 150 m2; - aan- en uitbouwen zijn gelegen binnen een afstand van 4,00 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw of binnen3,00 meter van de achtergevellijn, met dien verstande dat de lengte van de loodrechte lijn vanaf het midden van de achtergevel van de aan- of uitbouw tot de kruising met de achterste perceelsgrens minimaal 5,00 meter is1; - er op de perceelsgrens wordt gebouwd of anders dat er tenminste een afstand van 1,00 meter tot de perceelsgrens wordt aangehouden. Indien toepassing is gegeven aan nummer 23 van deze matrix, mag het totaal aan bebouwde oppervlakte van bouwwerken op het erf ten hoogste met 25 m2 overschreden worden, mits het totaal aan bebouwd oppervlakte niet groter wordt dan 75% van het erf en de overschrijding noodzakelijk is om het in nummer 23 genoemde bouwwerk(en) te realiseren. De hoogte van de aan- of uitbouw op het erf moet aansluiten bij de bouwhoogte van de hoofdbebouwing. Daarbij geldt dat de goot- en bouwhoogte maximaal 0,3m hoger mag zijn dan de hoogte van de eerste bouwlaag van de hoofdbebouwing ter plaatse van de geplande aan- of uitbouw. Indien de aan- of uitbouw wordt voorzien van een kap mag de bouwhoogte maximaal de hoogte van de tweede bouwlaag van de hoofdbebouwing ter plaatse van de geplande aan- of uitbouw. Indien de hoofdbebouwing bestaat uit één bouwlaag, mag de bouwhoogte van de aan- of uitbouw niet hoger zijn dan de eerste bouwlaag en geldt niet dat de aan-, uitbouw en het aangebouwde bijgebouw bouwkundig ondergeschikt is aan het hoofdgebouw. Aan- of uitbouwen op het erf aan de achterzijde van de woning mogen worden aangekapt door middel van een schuin dak (zie onderstaande afbeelding). Overige dakvormen zijn niet toegestaan. aankapping dmv een schuin dak Aan- of uitbouwen op het erf naast de woning mogen worden aangekapt door middel van een lessenaarsdak of worden voorzien van een schuin dak, met een daknok gevormd door twee of meer schuine dakvlakken, zoals op onderstaande afbeeldingen is aangegeven. Dit geldt ook wanneer de aan- of uitbouw is gelegen voorbij de achtergevel van de woning. Overige dakvormen en uitkragende opbouwen worden apart beoordeeld. lessenaarsdak zadeldak kap met 2 of meer schuine dakvlakken Voorbeelden overige dakvormen en uitkragende opbouwen (niet limitatief): Doosvormig Trapeziumvormig Tonvormig Uitkragende dakvorm. Voor bijgebouwen geldt een maximale goothoogte van 3,00 meter. Voor de bouwhoogte gelden, voor zover hoger dan 3,00 meter, de volgende bepalingen: - het bijgebouw moet worden voorzien van een schuin dak; - de dakvoet ligt niet hoger dan 3,00 meter; - de daknok wordt gevormd door twee of meer schuine dakvlakken, met een hellingshoek van niet meer dan 55°; - de hoogte van de daknok is niet meer dan 5,00 m en wordt verder begrensd door de volgende formule: maximale daknokhoogte [m] = (afstand daknok tot de perceelsgrens [m] x 0,47) + 3. Overkappingen hebben een maximale goothoogte van 3 meter en een maximale bouwhoogte van 4 meter. Voor zover aan- en uitbouwen op grond van deze bepaling zijn toegestaan, mogen deze gebruik worden ten behoeve van het wonen. Bewoning van bijgebouwen is niet toegestaan. Indien sprake is van mantelzorg is onder nummer 18 van deze matrix een aanvullende regeling opgenomen ten aanzien van uitbreidingen en gebruik van aan- en uitbouwen en bijgebouwen. Als de uitbreiding met een aan- of uitbouw tot gevolg heeft dat aangebouwd wordt tegen een bestaand vrijstaand bijgebouw, is dit toegestaan, mits het bestaande bijgebouw na gereedkoming van het bouwplan voldoet en blijft voldoen aan de definitie (in deze beleidsregels) van bijgebouw, met uitzondering van de eis van vrijstaandheid. 1 achterpaden behoren niet tot het bouwperceel Aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen in het kader van mantelzorg 18. Indien en voor zover sprake is van mantelzorg, zijn aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen op het erf toegestaan mits de bebouwde oppervlakte van het erf niet meer bedraagt dan: X X X X X 1. in geval van een erf kleiner dan of gelijk aan 100 m2: 60% van dat erf; 2. in geval van een erf groter dan 100 m2 en kleiner dan of gelijk aan 300 m2: 60 m2, vermeerderd met 30% van het deel van het erf dat groter is dan 100 m2; 3. in geval van een erf groter dan 300 m2: 120 m2, vermeerderd met 20% van het deel van het erf dat groter is dan 300 m2, tot een maximum van in totaal 150 m2. Daarbij geldt dat: - de grens tussen erf en tuin, ten opzichte van het bepaalde onder nummer 4 en 5 van deze matrix, met maximaal 2,00 meter mag worden verlegd ter vergroting van het erf ten behoeve van het bouwplan, waarbij de grens tussen tuin en erf op minimaal 1,00 meter achter de voorgevellijn ligt; - gebruik van aan- en uitbouwen op een afstand van meer dan 4,00 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw of meer dan 3,00 meter van de achtergevellijn ten behoeve van wonen of het bewonen van bijgebouwen ten behoeve van mantelzorg is toegestaan gedurende de periode dat er sprake is van mantelzorg; - er op de perceelsgrens wordt gebouwd of anders dat er tenminste een afstand van 1,00 meter tot de perceelsgrens moet worden aangehouden. Indien toepassing is gegeven aan nummer 23 van deze matrix, mag het totaal aan bebouwde oppervlakte van bouwwerken op het erf ten hoogste met 25 m2 overschreden worden, mits het totaal aan bebouwd oppervlakte niet groter wordt dan 75% van het erf en de overschrijding noodzakelijk is om het in nummer 23 genoemde bouwwerk(en) te realiseren. De bepalingen t.a.v. de goot- en bouwhoogtes en dakvormen in nummer 16 van de matrix zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat tijdelijke aan- uit- en bijgebouwen met een maximale goot- en bouwhoogte van 3,50 meter ook zijn toegestaan. Als de uitbreiding met een aan- of uitbouw tot gevolg heeft dat aangebouwd wordt tegen een bestaand vrijstaand bijgebouw, is dit toegestaan, mits het bestaande bijgebouw na gereedkoming van het bouwplan voldoet en blijft voldoen aan de definitie (in deze beleidsregels) van bijgebouw, met uitzondering van de eis van vrijstaandheid. Uitbreidingen aan de gevel van hoofdbebouwing 19. Horizontale uitbreiding van de woning boven of op het erf in de vorm van ondergeschikte bouwwerken cq bouwonderdelen, zoals balkons en luifels (mits niet dieper dan 2,00 meter gemeten loodrecht op de gevel waartegen aan wordt gebouwd), (brand)trappen, afvoerpijpen en airco-units zijn toegestaan. Tussen aangrenzende balkons zijn privacyschermen toegestaan, met een maximale hoogte van 2 meter. X X X X X Deze bouwwerken cq bouwonderdelen tellen niet mee in het totaal bebouwd oppervlak, bouwhoogte of andere in deze matrix genoemde maten. 20. Horizontale uitbreiding van de woning boven of in de tuin in de vorm van ondergeschikte bouwwerken cq bouwonderdelen zoals balkons en luifels (mits niet dieper dan 1,50 meter gemeten loodrecht op de gevel waartegen aan wordt gebouwd) zijn toegestaan. X X X X X Deze bouwwerken cq bouwonderdelen tellen niet mee in het totaal bebouwd oppervlak, bouwhoogte of andere in deze matrix genoemde maten. Keldertoegangen en koekoeken 21. Keldertoegangen en koekoeken (met afscheiding) in de tuin en/of op het erf zijn toegestaan mits: X X - de keldertrap en/of koekoek parallel aan de voorgevel ligt. Bij vrijstaande woningen, twee-onder-een-kapwoningen en hoekwoningen is een keldertrap en/of koekoek parallel aan de zijgevel mogelijk. Aan de achtergevel is zowel een keldertrap en/of koekoek parallel als loodrecht op de achtergevel mogelijk; - de keldertoegang en/of koekoek is gelegen tussen de verlengde zijgevels van het hoofdgebouw dan wel tussen de verlengde voor- en achtergevel van het hoofdgebouw; - er na realisatie van de keldertoegang/koekoek een (voor)tuin resteert van minimaal 3,00 meter tussen de keldertrap en/of koekoek en de perceelsgrens voor zover gelegen aan openbaar toegankelijk gebied; - de keldertrap en/of koekoek parallel aan de voor- of zijgevel tezamen een diepte van maximaal 1,20 meter hebben (inclusief keerwand); - indien er een erker aan de voor- of zijgevel aanwezig is, mag de keldertrap en/of koekoek hier voor komen te liggen, waarbij de erker, keldertrap en/of koekoek tezamen een diepte van maximaal 2,50 meter hebben (inclusief keerwand). Reeds legaal gerealiseerde vergelijkbare keldertoegangen en/of koekoeken in de directe omgeving kunnen aanleiding zijn om van bovenstaande af te wijken. In dat geval vindt er een aparte beoordeling plaats. 22. Horizontale uitbreidingen van de woning in de tuin en/of op het erf in de vorm van keldertoegangen en koekoeken (met afscheiding) hangen af van de ter plaatse aanwezige situatie en wordt apart beoordeeld. X X X Zwembaden, jacuzzi’s en gebouwde vijvers bij woningen 23. Op het erf zijn openlucht zwembaden, jacuzzi's en gebouwde vijvers, alsmede de daarvoor benodigde bouwwerken geen gebouwen zijnde, toegestaan, waarbij, in aanvulling op nummers 17 en 18 van deze matrix, het bebouwde oppervlakte, voor zover noodzakelijk om deze bouwwerken te realiseren, met maximaal 25 m2 mag worden overschreden tot maximaal 75% van het erf. De bouwhoogte van deze bouwwerken geen gebouwen zijnde bedraagt maximaal 1,50 meter. X X X X X

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel