Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk

Artikel Artikel 3 Algemeen

Artikel Artikel 3 Algemeen

Onderdeel van Beleidsregels voor grondgebonden woningen

Deze beleidsregels hebben alleen betrekking op grondgebonden woningen. Ten aanzien van niet-grondgebonden woningen en/of activiteiten bij grondgebonden woningen die plaatsvinden buiten het bouwperceel, zal er ad hoc beoordeeld worden of er toestemming wordt verleend om af te wijken van het bestemmingsplan. De beleidsregels hebben alleen betrekking op de stedenbouwkundige aspecten. Voor het verlenen van een omgevingsvergunning zal een ruimtelijke afweging worden gemaakt waarbij ook andere aspecten een rol kunnen spelen (zoals op grond van de Wet geluidhinder, Wet luchtkwaliteit en het Besluit externe veiligheid inrichtingen). Ook kunnen evidente privaatrechtelijke belemmeringen en illegale situaties aanleiding zijn tot het weigeren van de omgevingsvergunning en zal aan de algemene regelingen in het bestemmingsplan moeten zijn voldaan (bijvoorbeeld de gebiedsaanduidingen geluidzone-industrie en milieuzone-grondwaterbeschermingsgebied of de parkeerregels). Als er sprake is van beschermde monumenten dient eerst toetsing plaats te vinden aan het belang van de monumentenzorg. Het gaat daarbij om rijksmonumenten (gebouwde monumenten, archeologische monumenten) en objecten waarvoor een vergunning ingevolge de gemeentelijke Monumentenverordening vereist is (gemeentelijk monumenten, bouwhistoriemonumenten, stadsbeeldobjecten, identiteitsbepalende objecten). Als sprake is van een rijksbeschermd stadsgezicht of een gemeentelijk beschermd stadsbeeld, dient eerst toetsing plaats te vinden aan het belang van dat beschermd stadsgezicht respectievelijk beschermd stadsbeeld. Als, gelet op voornoemde belangen, vergunningverlening niet mogelijk is, zal de omgevingsvergunning worden geweigerd. Er zal dan niet buitenplans worden beoordeeld of een vergunning kan worden verleend. ls er sprake is van dubbelbestemmingen (bijvoorbeeld met betrekking tot archeologie, cultuurhistorie, landschap, waterkering of een hoogspanningsverbinding) en als de aanvraag valt binnen de reikwijdte van de binnenplanse afwijkingsvoorschriften, dan wordt op basis van die voorschriften beslist of er al of niet een vergunning wordt verleend. Als zo’n binnenplanse vergunning niet kan worden verleend, dan zal de omgevingsvergunning worden geweigerd. Er zal dan niet buitenplans worden beoordeeld of een vergunning kan worden verleend. Echter als de aanvraag valt buiten de reikwijdte van de binnenplanse afwijkingsvoorschriften in dubbelbestemmingen, dan wordt ad hoc beoordeeld of buitenplans vergunningverlening mogelijk is. In die buitenplanse afweging wordt de aanvraag eerst getoetst aan de belangen van archeologie, cultuurhistorie, landschap e.d. Als bij deze toetsing blijkt dat door vergunningverlening deze belangen worden geschaad, dan zal de omgevingsvergunning worden geweigerd. Als bij deze toetsing blijkt dat door vergunningverlening deze belangen niet worden geschaad, zal toetsing plaatsvinden aan de stedenbouwkundige aspecten. In artikel 2.1, lid 1, aanhef en onder c Wabo is aangegeven dat het verboden is zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, of een beheersverordening (…). In artikel 2.12, lid 1, aanhef en onder a, onder 2, is aangegeven dat een omgevingsvergunning slechts kan worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen. In bijlage II Bor zijn categorieën van gevallen aangewezen waarin: - voor bouwactiviteiten, planologische gebruiksactiviteiten en activiteiten met betrekking tot een beschermd monument geen omgevingsvergunning is vereist; - voor planologische gebruiksactiviteiten een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.12, lid 1, onder a, onder 2° Wabo kan worden verleend. Deze beleidsregels hebben alleen betrekking op de volgende planologische afwijkingsmogelijkheden, genoemd in artikel 2.12 lid 1, onder a, onder 2° Wabo j°. bijlage II, artikel 4 Bor e.v. indien en voor zover ze kunnen worden toegepast bij grondgebonden woningen: - 2.12 lid 1, onder a, onder 2° Wabo j°. bijlage II, artikel 4 lid 1 Bor; - 2.12 lid 1, onder a, onder 2° Wabo j°. bijlage II, artikel 4 lid 3 Bor, voor zover het betreft, openlucht zwembaden, jacuzzi’s en gebouwde vijvers; - 2.12 lid 1, onder a, onder 2° Wabo j°. bijlage II, artikel 4 lid 4 Bor; - 2.12 lid 1, onder a, onder 2° Wabo j°. bijlage II, artikel 4 lid 9 Bor, voor zover het betreft een gebruikswijziging ten behoeve van de uitoefening van aan-huis-verbonden beroeps- en/of bedrijfsactiviteiten, al dan niet in samenhang met bouwactiviteiten die de bebouwde oppervlakte of het bouwvolume niet vergroten; - 2.12 lid 1, onder a, onder 2° Wabo j°. bijlage II, artikel 4 lid 11 Bor, voor zover betreft een gebruikswijziging ten behoeve van de uitoefening van aan-huis-verbonden beroeps- en /of bedrijfsactiviteiten voor een termijn van ten hoogste tien jaar. Voor alle overige planologische afwijkingsmogelijkheden zijn deze beleidsregels niet van toepassing en zal er ad hoc beoordeeld worden of er toestemming wordt verleend om af te wijken van het bestemmingsplan. In aanvulling op het gestelde in deze beleidsregels kan omgevingsvergunning worden verleend als er wordt voldaan aan een nieuw bestemmingsplan dat in procedure is. Een bestemmingsplan is in procedure vanaf de dag waarop het (voor)ontwerp bestemmingsplan ter inzage ligt, tot het moment dat deze in werking treedt. In die gevallen waarin de exacte ligging van het hoofdgebouw binnen een bouwperceel niet vaststaat (bijv. wanneer er geen of een heel ruim bouwvlak op de verbeelding is ingetekend en het hoofdgebouw in beginsel overal binnen het bouwperceel kan worden opgericht) en dit in een voorliggend geval wel noodzakelijk is om deze beleidsregels te kunnen toepassen, wordt ad hoc beoordeeld of er toestemming wordt verleend om af te wijken van het bestemmingsplan. Het bevoegd gezag is bevoegd in beperkte mate af te wijken van de maatvoering zoals opgenomen in deze beleidsregels, mits dit dient om het bouwwerk zodanig te laten aansluiten op een bestaande, legale situatie dat dit vanuit architectonisch en/of bouwkundig en/of stedenbouwkundig opzicht een verbetering is. Het bevoegd gezag is bevoegd af te wijken van deze beleidsregels, mits dit dient om de vormgeving van een bouwwerk aan te laten sluiten bij een reeds bestaand, legaal bouwwerk in een vergelijkbare situatie in de omgeving. Doel van deze regeling is om herhaling van een elders reeds gerealiseerde (vergund) bouwwerk op een identieke woning mogelijk te maken. Bijvoorbeeld een dakopbouw die al in een blok rijwoningen voor komt of een erker die als optie bij seriematig gebouwde woningen vergund is, maar nog niet overal gerealiseerd is. Met ‘vergelijkbare situatie’ wordt in ieder geval een exact identiek bouwwerk op, aan of bij eenzelfde woning met eenzelfde architectuur bedoeld. Naast de vormgeving van de woning betreft ‘vergelijkbaar’ ook de ruimtelijke situatie (onder andere de oriëntatie van de woning tov omliggende bebouwing, de ligging t.o.v. de openbare ruimte, onderscheid hoekwoningen en rijwoningen). ‘In de omgeving’ behelst in ieder geval het betreffende bouwblok (een rij woningen of een serie geschakelde woningen), maar kan ook een ander bouwblok met dezelfde woningen betreffen, mits deze van oorsprong onderdeel was van hetzelfde bouwplan (aan te tonen met situatietekening uit de vergunningaanvraag van oorspronkelijke woningen). Wanneer de vormgeving van het bouwwerk op details afwijkt is het soms lastig te bepalen of een bouwwerk nog wel identiek genoemd kan worden. Het gaat er in zo’n geval om de kenmerkende karakteristieken in de vormgeving van het reeds bestaande bouwwerk te benoemen. Zo kan in het ene geval de kleurstelling van bijvoorbeeld een dakopbouw minder van belang zijn dan de kozijnindeling, terwijl in een ander geval de kleur juist een zeer karakteristiek onderdeel van de vormgeving is. In gevallen waar er geen sprake is van een exact identiek bouwwerk, maar een nagenoeg identiek bouwwerk kan van deze beleidsregels worden afgeweken indien redelijke eisen van welstand zich hiertegen niet verzetten. Indien het niet evident is of er al dan niet sprake is van een vergelijkbare situatie in stedenbouwkundige zin kan hierover ad hoc advies gevraagd worden. Voor zover het gaat om de toepassing van een planologische afwijkingsmogelijkheid waarvoor Specifieke beleidsregels zijn vastgesteld die verwijzen naar de stedenbouwkundige matrix (artikel 5), maar het bouwplan niet valt in één van de vijf hierin genoemde gebiedstypen (vastgesteld volgens artikel 6), wordt er ad hoc beoordeeld of er toestemming wordt verleend om af te wijken van het bestemmingsplan. Aan een omgevingsvergunning die betrekking heeft op een tijdelijk bouwwerk wordt een termijn gesteld na afloop waarvan vergunninghouder verplicht is de voor de verlening van de omgevingsvergunning bestaande toestand hersteld te hebben. Aan een omgevingsvergunning die betrekking heeft op mantelzorg wordt de voorwaarde verbonden dat het bewonen van bijgebouwen enerzijds en/of het gebruik van aan- en uitbouwen op een afstand van meer dan 4,00 meter van het oorspronkelijk hoofdgebouw of meer dan 3,00 meter van de achtergevellijn ten behoeve van wonen anderzijds, uitsluitend is toegestaan gedurende de periode dat er sprake is van mantelzorg. Daarbij wordt een termijn gesteld vanaf het moment dat de mantelzorg is beëindigd, waarbinnen de voorzieningen in het bijgebouw ten behoeve van bewoning moeten zijn verwijderd (denk aan o.a. het verwijderen van en keuken, bad- of doucheruimte). Deze beleidsregels, waaronder nummer 18 van de stedenbouwkundige matrix, zijn eveneens van toepassing wanneer uitvoering wordt gegeven aan de Wet maatschappelijk ondersteuning 2015 waarbij geen sprake is van mantelzorg.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel