** 2.1. .** Reserve
Een reserve maakt onderdeel uit van het eigen vermogen en kan in de volgende twee soorten worden onderscheiden (zie artikel 42 en 43 BBV):
algemene reserve;
bestemmingsreserves.
Algemene reserve
De algemene reserve betreft dat deel van het eigen vermogen waaraan in principe geen bestemming is gegeven en welke volledig vrij besteedbaar is. Deze reserve wordt gebruikt voor het opvangen van algemene risico’s (bufferfunctie).
Bestemmingsreserve
Een bestemmingsreserve wordt aangehouden voor een specifiek benoemd doel. Deze kent in de regel een bepaalde omvang en kan tijdelijk van aard zijn. Wanneer realisatie niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt, kan de raad opnieuw een afweging maken.
Bij de bestemmingsreserves dient onderscheid te worden gemaakt in:
de nog niet geblokkeerde reserves, omdat er nog geen verplichtingen voor aangegaan zijn (zolang een reserve nog niet bestemd is kan deze aangewend worden als buffer voor het weerstandsvermogen);
de geblokkeerde reserves, omdat er verplichtingen op rusten voor specifieke doelen of investeringen met een meerjarig economisch nut.1).
1Op grond van het BBV is het niet toegestaan om bestemmingsreserves direct in mindering te brengen op investeringen met een meerjarig economisch nut (uitgezonderd op kunstvoorwerpen met een cultuurhistorische waarde). Dergelijke investeringen dienen bruto geactiveerd te worden. Om de kapitaallasten van deze investeringen te kunnen dekken uit beschikbare bestemmingsreserves, moet het benodigde deel van de reserve overgeheveld worden naar de Reserve kapitaallasten investeringen economisch nut. De jaarlijkse vrijval loopt vervolgens gelijk met de afschrijvingsduur van de investering.
Reserves worden alleen ingesteld:
voor concrete, in principe binnen vooraf bepaalde tijd te realiseren, door de raad vast te stellen doelen;
als eenmalig dekkingsmiddel en zijn in principe niet in te zetten als structureel dekkingsmiddel;
voor het afdekken van kosten voortvloeiende uit redelijkerwijs niet in te schatten (omvangrijke) financiële risico’s.
** 2.2. .** Voorziening
Een voorziening behoort volgens artikel 44 lid 1 BBV tot het vreemd vermogen. Zij wordt gevormd wegens:
verplichtingen en verliezen waarvan de omvang op de balansdatum onzeker is, maar redelijkerwijs is in te schatten
op de balansdatum bestaande risico's voor bepaalde te verwachten verplichtingen of verliezen waarvan de omvang redelijkerwijs is in te schatten (bijvoorbeeld dubieuze debiteuren);
kosten die in een volgend jaar zullen worden gemaakt, mits het maken van die kosten zijn oorsprong mede vindt in het begrotingsjaar of in een voorafgaand begrotingsjaar en de voorziening strekt tot gelijkmatige verdeling van lasten over een aantal begrotingsjaren (voorziening groot onderhoud);
de bijdragen aan toekomstige vervangingsinvesteringen, waarvoor een heffing wordt geheven als bedoeld in artikel 35, eerste lid, onder b in het BBV
Daarnaast worden op grond van lid 2 van hetzelfde artikel eveneens tot de voorzieningen gerekend de van derden verkregen middelen die specifiek besteed moeten worden. Dit geld moet namelijk, indien het niet gebruikt wordt voor het specifieke doel, terugbetaald worden.
De voorschotbedragen bedoeld in artikel 49, onderdeel b, BBV zijn hiervan uitgezonderd, want: “afzonderlijk worden in de balans onder de overlopende passiva opgenomen de van Europese en Nederlandse overheidslichamen ontvangen voorschotbedragen voor uitkeringen met een specifiek bestedingsdoel die dienen ter dekking van lasten van volgende begrotingsjaren”.
In het derde lid is bepaald dat voor “jaarlijks terugkerende arbeidskosten gerelateerde verplichtingen” geen voorziening gevormd mag worden, omdat die al opgenomen zijn in de begroting.
Alleen wanneer het volume niet jaarlijks ongeveer gelijk is, mag een voorziening gevormd worden. In Kampen betreft dit bijvoorbeeld de voorziening “Wachtgelden, pensioenen wethouders” en de voorziening “Sociaal statuut Stadsziekenhuis”.
De mogelijkheid kan zich voordoen dat er ook risico’s bestaan, waarvan geen inschatting gemaakt kan worden van de mogelijk omvang. Denk bijvoorbeeld aan ondernemersrisico’s en open-einde regelingen. Hiervoor kunnen dan geen voorzieningen worden gevormd. In deze gevallen schrijft het BBV voor dat we dit soort risico’s moeten kwantificeren en opnemen in de verplicht voorgeschreven paragraaf Weerstandsvermogen. De algemene reserve kan dan in dit geval als dekking/buffer dienen.
Als we tot een juiste weergave van de vermogenspositie van de gemeente willen komen, dan is het gewenst om de noodzakelijke omvang van een voorziening te bepalen. Als een voorziening niet toereikend is, kan er een tekort op de exploitatie ontstaan in de nabije toekomst. Maar een te hoge voorziening legt onnodig beslag op de toch al schaarse dekkingsmiddelen. Daarom is het van belang dat er goede beheerplannen beschikbaar zijn. Op basis van deze beheerplannen kunnen voorzieningen worden gevormd om de onderhoudslasten van de kapitaalgoederen zo egaal mogelijk over de jaren te spreiden.
Voorzieningen dienen altijd onderbouwd te zijn door actuele onderhoudsplannen, waarmee bepaald kan worden of de middelen voldoende zijn ter dekking van de toekomstige uitgaven.
Omdat dergelijke plannen op dit moment veelal ontbreken, zijn in de afgelopen jaren voor het onderhoud bestemmingsreserves gevormd.
Kans voordoen van verplichting, verlies of risico
Zeker
Waarschijnlijk
Niet uit te sluiten
Omvang
financieel
te
bepalen?
Ja
Crediteurenschuld
Voorziening
Paragraaf Weerstandsvermogen
Is in te schatten
Voorziening
Voorziening
Paragraaf Weerstandsvermogen
Nee
Paragraaf Weerstandsvermogen
Paragraaf Weerstandsvermogen
Paragraaf Weerstandsvermogen
Voorzieningen worden alleen ingesteld:
bij concrete verplichtingen en verliezen waarvan de omvang onzeker is, doch redelijkerwijs is in te schatten;
bij bestaande risico’s voor bepaalde te verwachten verplichtingen of verliezen, waarvan de omvang redelijkerwijs is in te schatten;
voor kosten die in een volgend begrotingsjaar gemaakt gaan worden, maar al eerder veroorzaakt worden met als doel de lasten gelijkmatig te verdelen;
voor ontvangen bijdragen aan toekomstige vervangingsinvestering;
voor het veiligstellen van object- of doelsubsidies/bijdragen van derden of niet benutte delen daarvan, waarvan de verplichting tot het doen van uitgaven zich pas in latere jaren voordoet en waarvan de aanwending is gebonden c.q. waarop een terugbetalingsverplichting rust (uitzondering hierop betreffen de voorschotbedragen van Europese/Nederlandse overheden).