1. Het besluit over subsidieverlening wordt uiterlijk 1 oktober 2019 door het college van B&W bekend gemaakt.
2. De aanvragen voor uitvoeren van voorschoolse educatie (artikel 6.1) en het bieden van ‘kinderop-vang plus’ (artikel 6.2) zijn onderhevig aan een selectieprocedure.
3. Het college laat zich bij de beoordeling van de subsidieaanvragen voor de subsidiabele activiteit uitvoeren van voorschoolse educatie (artikel 6.1) en het bieden van ‘kinderopvang plus’ (artikel 6.2) bijstaan door een ambtelijke adviescommissie
4. Indien naar het oordeel van het college de gewenste spreiding van de uitvoering van voorschoolse educatie (artikel 6.1) of het uitvoeren van ‘kinderopvang plus’ (artikel 6.2) over de stad niet of onvoldoende kan worden gerealiseerd met de ontvangen subsidieaanvragen of er meer aanbod is dan vraag (bijv. veel aanvragen voor een bepaalde wijk, teveel voor de te bedienen doelgroep populatie), kan het college besluiten om;
A) een deel van de aangevraagde subsidie niet te verlenen;
B) afzonderlijk met iedere potentiële aanbieder in gesprek te gaan over hoe de gewenste spreiding toch gerealiseerd kan worden.
5. De Inspectie Kinderopvang informeert het college over eventuele geconstateerde overtredingen en het hersteltraject. Het college kan deze informatie meewegen bij de besluitvorming over de subsidie.
6. In het geval de subsidieontvanger niet voldoet aan de wettelijk overstijgende subsidievoorschriften, kan het college besluiten om de subsidie in te trekken of te wijzigen. Inspectie Kinderopvang en het college kunnen samenwerken in het handhavingstraject.
Specifiek voor uitvoeren van voorschoolse educatie (artikel 6.1) geldt aanvullend de volgende eis:
7. Het college verleent aan minimaal 2 en maximaal 8 partijen subsidie voor de uitvoering van voorschoolse educatie.