Deze paragraaf plaatst de bevoegdheid tot het geven van een gedragsaanwijzing in de context van de andere bevoegdheden die er zijn om woonoverlast te bestrijden. Daarna volgt een toelichting op de begrippen die in artikel 151d Gemeentewet en artikel 2:79 APV staan.
Het instrument gedragsaanwijzing kan alleen worden toegepast als het gebruik van andere bevoegdheden niet geschikt is. De aard van de ernstige en herhaaldelijke hinder bepaalt welke bestuurlijke bevoegdheid kan worden ingezet. Hieronder worden de diverse bevoegdheden in beeld gebracht.
Artikel 174a Gemeentewet verleent aan de burgemeester de bevoegdheid om een woning te sluiten bij verstoring van de openbare orde rond de woning. In artikel 1a van de Woningwet staat de verplichting voor de eigenaar of gebruiker van een woning om er voor te zorgen (zorgplicht) dat de staat van de woning geen gevaar oplevert voor de gezondheid of veiligheid. Artikel 17 Woningwet verleent de gemeente de bevoegdheid om een woning te sluiten indien de staat of het gebruik ervan dusdanig is dat het een bedreiging voor de leefbaarheid of een gevaar voor de veiligheid of de gezondheid tot gevolg heeft. In de Huisvestingswet 2014 en de Huisvestingsverordening Voorschoten 2015 staan bevoegdheden met betrekking tot het gebruik van woningen.
In 2002 werd de Wet Victor van kracht. Die wet maakte het gemakkelijker om een huurcontract te ontbinden bij woningsluiting (art. 7:231 lid 2 Burgerlijk Wetboek), verplichtte de eigenaar van een gesloten pand om de woning in beheer te geven aan een instantie naar keuze van het bevoegde gezag (art. 14 Woningwet) en leidde tot een wijziging van de regels omtrent de onteigening van een woning (art. 77 Onteigeningswet). Tot slot: artikel 13b Opiumwet bepaalt dat de burgemeester een woning kan sluiten als daarin sprake is van drugshandel.
Toelichting op het begrippenkader van artikel 151d Gemeentewet en artikel 2:79 APV gemeente Voorschoten.
“andere geschikte wijze” (art. 151d, lid 2 Gemeentewet)
De burgemeester geeft alleen een gedragsaanwijzing als er redelijkerwijs geen andere geschikte wijze is om een einde te maken aan de woonoverlast. Andere wijzen voor beëindiging van woonoverlast, die geschikt kunnen zijn: toepassing van andere bestuurlijke bevoegdheden (omschreven in de bovenstaande alinea’s) , geven van een bestuurlijke waarschuwing, mediation, buurtbemiddeling, civielrechtelijke actie (procederen door verhuurder of slachtoffer van de woonoverlast). De burgemeester heeft beleidsvrijheid bij het maken van de afweging of er geen andere geschikte wijze (meer) is om de hinder te stoppen. De gedragsaanwijzing dient als ultimum remedium. Dit sluit aan bij de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit.
“woning of een bij die woning behorend erf” (APV)
Hieronder worden verstaan: de woning, de rest van het betrokken perceel, zoals een tuin, en de gezamenlijke ruimte binnen de wooneenheid, zoals het portiek, de parterretrap, de buitenruimte, enzovoorts.
“de onmiddellijke nabijheid” (APV)
Hieronder worden bijvoorbeeld verstaan: gedragingen in de tuin van de buren, op het trottoir en of op straat ter hoogte van of vlakbij de woning. Maatgevend voor de begrenzing is dat er een directe relatie moet zijn met de woning en het bijbehorende erf.
“gebruiker van de woning of bijbehorend erf” (APV)
Hieronder wordt verstaan degene die de woning feitelijk bewoont. Er hoeft geen sprake te zijn van een huurrechtelijke of eigendomsrelatie met de woning en het erf. Ook hoeft er geen sprake te zijn van een rechtmatige gebruiker. Een illegale onderhuurder of een kraker van de woning vallen ook onder het begrip.
“gedragingen” (APV)
Hieronder vallen de gedragingen van zowel de gebruiker zelf en als van anderen die zich op het perceel of in de onmiddellijke nabijheid daarvan bevinden. Het kan gaan om bezoekers, gasten of vrienden van de gebruiker, maar ook om een dier, b.v. een hond die overlast veroorzaakt.
“zorgplicht” (APV)
De raad heeft in artikel 2:79 APV bepaald dat degene die een woning of een bij de woning behorend erf gebruikt er zorg voor moet dragen dat er geen sprake is van gedragingen die ernstige en herhaaldelijke hinder veroorzaken. Een gebruiker die niet aan de zorgplicht voldoet is in overtreding.
“omwonenden” (APV)
Hierbij gaat het om bewoners die woonachtig zijn in de directe nabijheid van woning en het bijbehorende erf van waaruit de hinder wordt veroorzaakt.
“ernstige en herhaaldelijke hinder” (APV)
Het begrip “ernstig” slaat op de intensiteit van de hinder. De ernst van de hinder zal worden vastgesteld aan de hand van de normen die daarvoor in het maatschappelijk verkeer gebruikelijk zijn.
Het woord “herhaaldelijk” duidt op een terugkerend karakter. Er kan geen gedragsaanwijzing worden gegeven op basis van één incident.
“hinder” (APV)
Onder “hinder” worden in elk geval verstaan:
geluid- of geurhinder;
hinder van dieren;
hinder van bezoekers of personen die tijdelijk in de woning of op het erf aanwezig zijn;
hinder als gevolg van vervuiling of verwaarlozing van de woning of het erf;
intimidatie van derden vanuit de woning of op of vanaf het erf.
“gedragsaanwijzing” (APV)
De gedragsaanwijzing heeft de vorm van een last onder bestuursdwang of een last onder dwangsom. Op grond van artikel 5:32 Awb kan de burgemeester er voor kiezen om in plaats van bestuursdwang een dwangsom op te leggen.
In de gedragsaanwijzing staat omschreven welke hinderlijke gedragingen moeten stoppen en welke handelingen de overlastgever daarvoor moet doen of nalaten. Dit kan bijvoorbeeld inhouden: het beperken van het aantal bezoekers, een tijdsgrens instellen voor het ontvangen van bezoek, het muilkorven van een hond of het stoppen van het draaien van luide muziek. Een gedragsaanwijzing kan ook inhouden de verplichting om psychische of sociale hulp te zoeken of het volgen van een training agressiereductie.
De keuze voor een dwangsom of bestuursdwang wordt gemaakt op basis van de specifieke situatie en de inschatting van welke van de twee het meest effectief zal zijn. Als blijkt dat een dwangsom geen succes oplevert, zal alsnog een last onder bestuursdwang worden opgelegd. Bij bestuursdwang wordt een begunstigingstermijn gegeven waarbinnen het redelijkerwijs haalbaar moet zijn om de overlast gevende gedraging te stoppen.
In het geval er geen gevolg wordt gegeven aan de last onder bestuursdwang, zal de last worden geëffectueerd. De gemeente treft dan de maatregelen die nodig zijn om de overlast te stoppen. De kosten daarvan worden verhaald op degene aan wie de last is gericht. Verbeurde dwangsommen worden verhaald.
Het moet in het vermogen van de betrokkene liggen om de hinderlijke gedragingen te beëindigen. Daarnaast geldt dat de nadelige gevolgen van een last niet onevenredig mogen zijn in verhouding tot het doel dat de last moet dienen. Met deze criteria wordt bij de besluitvorming omtrent de toepassing van de gedragsaanwijzing rekening gehouden.
Soms wordt de overlast veroorzaakt door mensen met psychische problemen. Mogelijk zijn ze daardoor niet in staat om hun gedrag te staken. Een gedragsaanwijzing kan zich in zo’n situatie mogelijk niet lenen voor het stoppen van de hinder. In dat geval zal worden gezocht naar alternatieve maatregelen.
“tijdelijk huisverbod” (art.151d lid 3 Gemeentewet)
De aanpak van een overlastsituatie vereist altijd zorgvuldig maatwerk. Alleen in uiterste instantie zal een tijdelijk huisverbod aan veroorzakers van hinder worden opgelegd.
Artikel 4.