Een vergunningaanvraag als bedoeld in artikel 3.1.2 kan worden geweigerd als:
Naar het oordeel van burgemeester en wethouders het belang van behoud of samenstelling van de woonruimtevoorraad groter is dan het met de omzetting gediende belang en dit niet voldoende kan worden gediend door het stellen van voorwaarden aan de vergunning;
Vaststaat of redelijkerwijs moet worden aangenomen dat niet voldaan wordt aan de leefbaarheidstoets als bedoeld in artikel 3.1.4;
De aanvrager niet bereid is financiële compensatie te betalen of gelijkwaardige vervangende woonruimte kan toevoegen;
Vergunningverlening zou leiden tot strijdigheid met het bestemmingsplan, de Beheersverordening, of met een omgevingsvergunning op grond waarvan afgeweken mag worden van het bestemmingsplan of de Beheersverordening;
In het geval en onder de voorwaarden als bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Bibob). Voordat toepassing wordt gegeven aan het tweede lid, kan het Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, bedoeld in artikel 8 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, om een advies als bedoeld in artikel 9 van die wet worden gevraagd.
Het maximum als genoemd in artikel 3.1.6. is bereikt;
24 maanden voorafgaand aan de aanvraag een vergunning van de aanvrager op grond van artikel 3.1.9 lid 2 t/m 6 is ingetrokken.
Hoofdstuk 3 › Paragraaf 3.1
Artikel 3.1.8
Weigeringsgronden
Onderdeel van Huisvestingsverordening Gemeente Papendrecht 2019